Geometrisch rotsplateau

De stad is een rotsachtig, hoekig gebergte. De dalen beneden zijn plaatselijk weelderig begroeid; boven, op de recht omhoog reikende rotsen is het onherbergzaam en kaal. De wind zwiept er feller, de regen valt harder en de zon schijnt er heter.

Het dak dat ik wil laten begroeien is van mijn buren. Vanuit mijn huis is het bereikbaar door middel van drie trappen, een raam en een meter dakgoot. Het dak bevindt zich tien meter boven straatniveau, wordt aan de noordoostkant begrensd door mijn schuine dak, er tegenover door een ander plat dak, aan de zuidoost- en de noordwestkant door de lucht. Ik wil het behandelen als een geometrisch rotsplateau.

Eerst wordt het dak bedekt met voor wortels ondoordringbaar materiaal, dan met oude kokosmatten of iets dergelijks (die houden vocht en aarde vast; ze verteren, ze zijn bedoeld om de planten een goede start te geven), daarop komt een dun laagje bemeste tuingrond en dan per m een grijze betontegel van vijftig bij vijftig centimeter, daaromheen grind. In het grind plant ik zoveel mogelijk winterharde Sedums en Sempervivums, daartussen zaai ik dille. Misschien wil een enkel bosje Festuca het ook wel doen.

Over twee jaar, als ik de trappen opga, uit het zolderraam klim en de dakgoot door, wacht mij een beloning in de vorm van een tapijt van grijsgroene, donkergroene en purperen vlekken, kussentjes en rozetten, besprenkeld met zachtrode, roze en gele bloemen en daar bovenuit de gele schermen van de dille. Zover het dak reikt!