Europa kijkt terug op de liberale revolutie van 1848; De illusie van een betere wereld

Nog nooit was de vrijheid zo dicht binnen handbereik geweest als in 1848. Parijs, Wenen, Milaan - autocratische regeringen tuimelden om als dominostenen. Maar de overwinning van de liberale revolutionairen was van korte duur: in december zat het ancien régime vrijwel overal weer vast in het zadel. Na 150 jaar kan alleen Nederland met tevredenhied terugkijken op het revolutiejaar.

Het ging in 1848 zo snel, dat velen dachten dat het een complot was - een internationale samenzwering van revolutionairen die tot doel had om binnen een paar weken het aangezicht van Europa te veranderen. “Sinds de verovering van Rome door de barbaren zijn beschaafde mensen niet meer zo bang geweest als nu”, schreef een Franse vrouw. Nadat op 24 februari de Franse koning Louis Philippe - na slechts drie dagen van opstand - besloten had om af te treden en naar Engeland te vluchten, spreidde de revolutie zich als een olievlek uit over de rest van Europa. Op 13 maart braken er rellen uit in Wenen en op 15 maart in Berlijn. Aan het einde van de maand had Hongarije zich een onafhankelijke status binnen het Habsburgse rijk toegemeten en in mei begon een parlement in Frankfurt aan beraadslagingen over een nieuw Duitsland. De oude orde was dood, concludeerde een groot aantal revolutionairen tevreden, Europa leek een nieuw tijdperk van liberalisme te zijn binnengetreden.

Misschien nog wel het meeste opzien baarde de vlucht - door de rel in Wenen - van de Oostenrijkse minister Metternich naar Engeland. Hij was immers de voornaamste architect geweest van het systeem dat in 1815, na de nederlaag van Napoleon, in Europa had geheerst. Metternich verwierp de Franse Revolutie van 1789 en alles waar zij voor stond. “Mensen kunnen geen grondwet maken”, merkte hij schamper op in zijn memoires. “Dat kan alleen de tijd. Mensen kunnen zoveel schrijven als ze willen - meer dan een vodje papier is het niet.”

Liberalisme en nationalisme: voor Metternich hoorden ze bij elkaar, een diabolische combinatie die onvermijdelijk tot de ondergang van het Oostenrijks-Habsburgse Rijk zou leiden. Dat Rijk, dat uit ten minste tien grote nationale groepen bestond, zou immers onvermijdelijk uiteenvallen als elke natie zijn eigen politieke rechten zou opeisen. Metternich - daarin gesteund door onder anderen de Russische tsaar - streefde daarom naar een Europa waarin alle grootmachten zouden samenwerken om de revolutionairen (of dat nu liberalen waren of nationalisten) onder de duim te houden.

En van dat Europa wilden de revolutionairen nu juist af. Het moest allemaal anders, daar waren de revolutionairen het over eens. Maar hoe het dan wel moest, daar liepen de meningen sterk over uiteen. In de loop van de negentiende eeuw verloor het woord 'revolutie' steeds meer van zijn betekenis, zei de Britse historicus John Roberts eens. “Maakte men aan het begin van de (negentiende red.) eeuw nog onderscheid tussen 'revoluties' al naar gelang het land waarover werd gesproken, al snel werd 'revolutie' een enkelvoudig begrip dat steeds meer met een hoofdletter werd geschreven. Het woord 'revolutie' werd zo een mythe, een symbool, een appel voor een betere wereld. Maar hoe die wereld er dan uit zou moeten zien - daar werd steeds minder over gesproken.”

De tragiek van '1848' was dat de revolutie werd gevoed uit verschillende bronnen die elkaar maar moeilijk konden verdragen. Zo was voor veel revolutionairen de Verlichtingstraditie van vrijheid, gelijkheid en broederschap nog een grote bron van inspiratie. In die traditie waren alle mensen elkaars broeders - ongeacht hun godsdienst of het land waar ze vandaan kwamen. “Ik verkies mijn gezin boven mijzelf, mijn vaderland boven mijn gezin, en het menselijke ras boven mijn vaderland”, schreef Voltaire.

Maar de Romantiek had met name in Duitsland al grote vraagtekens bij dat universalisme gezet en de nadruk gelegd op het eigen karakter van elke natie. “Elke taal vormt een aparte manier van denken”, schreef de filoloog Schleiermacher. “Wat in de ene taal wordt gedacht, kan nooit op dezelfde manier herhaald in een andere.” En in het 'socialistische' kamp werden al vraagtekens gezet bij de opvatting die veel Verlichtingsfilosofen hadden verdedigd, dat een maatschappij 'rechtvaardig' is als alle burgers gelijk zijn voor de wet. Wat betekent gelijkheid voor de wet, schamperde Marx al voor de revolutie van 1848, als een kleine groep kapitalisten in feite alle macht in handen heeft?

En zo bestond 'de' revolutie in 1848 eigenlijk uit drie revoluties, een liberale, een nationale en een sociale. En omdat die drie revoluties zich zo moeilijk met elkaar lieten rijmen, zakte het revolutionaire tij weer net zo snel ineen als het was opgekomen. En Europa bleef met een kater zitten. Want voor het eerst was het duidelijk geworden dat de 'revolutie' die de liberale burgerij voor ogen had, een heel andere was dan die het 'proletariaat' wilde. Het proletariaat wilde immers morrelen aan het recht van eigendom en daar was de burgerij absoluut niet van gediend.

Dat bleek al snel in de bakermat van de revolutie, Frankrijk. Daar waren 'werkplaatsen' opgezet waar werklozen voor twee franc per dag aan de slag konden. Deze ontwikkelden zich al snel tot brandhaarden van sociale agitatie. Toen in juni ongeveer twintigduizend man de wapens opnamen om een 'sociale revolutie' te eisen, zette de nieuwe regering - met instemming van de burgerij - het leger in. In wat de Franse socioloog De Tocqueville de 'grootste slavenoorlog uit de geschiedenis' noemde, werden in een aantal dagen ten minste tienduizend mensen afgeslacht. De Franse burgerij had haar keuze gemaakt. In 1850 kwam het onderwijs via de zogeheten wet-Falloux onder toezicht van de katholieke geestelijkheid te staan. “Wereldlijke leraren hebben de principes van de sociale revolutie populair gemaakt in afgelegen dorpjes”, lichtte minister Falloux zijn wet in de Assemblée toe.

Maar ook de 'nationale' revolutie bleek zich minder goed te verdragen met de liberale dan velen hadden gehoopt. Parlementen die op de bres stonden voor liberale rechten, hadden niet geaarzeld om de strijd aan te binden met mensen die niet tot het nieuw-ontdekte 'volk' behoorden. Het Hongaarse parlement, aan het begin van de revolutie nog bevlogen door liberale ideeën, besloot uiteindelijk om geen burgerrechten toe te kennen aan etnische minderheden op 'Hongaars' gebied. In september besloot Graaf Jellachich, de gouverneur van Kroatië, naar de wapens te grijpen. Toen Russische troepen uiteindelijk op verzoek van de regering in Wenen in augustus 1849 de orde herstelden in Hongarije, was de situatie daar al ontaard in een oorlog van omnium contra omnes - het exacte tegenovergestelde van wat de liberale beginselen leken te beloven. En het Duitse parlement in Frankfurt, dat voor Duitsland een liberale grondwet wilde, juichte toen het Pruisische leger verzet van Polen in Posen de kop indrukte.

En zo vormde '1848' het definitieve einde van de droom van de Verlichting, dat er harmonie in de wereld zou heersen, zodra de liberale burgerij de feodale 'autocraten' terzijde had geschoven. Op elk hun eigen manier kozen de partijen die aan de revolutie hadden meegedaan, voor 'realisme'. Marx - en met hem vele anderen uit het radicale kamp - concludeerden dat een paar strijdkreten niet genoeg waren voor revolutie. Ze gingen op zoek naar de diepere mechaniek van het geschiedproces die uiteindelijk wel tot een overwinning van het socialisme zou moeten leiden. De burgerij deed water bij de wijn van haar liberale idealen en stelde zich in een groot aantal landen tevreden met haar - door de Industriële Revolutie - steeds toenemende welvaart. En veel nationalisten verloren hun geloof dat de aarde zo groot was dat alle nationaliteiten een eigen plekje daarop zouden kunnen vinden en toch met elkaar zouden kunnen samenwerken op weg naar de wereldvrede.

In Frankrijk was ook vóór het revolutiejaar de burgerij al aan de macht geweest. Na 1830 werd het politieke leven daar immers gedomineerd door de haute bourgeoisie. Dat was weliswaar een zeer exclusieve groep maar het was geen stand, zoals de adel dat voor 1789 was geweest. “Enrichissez-vous (wordt maar rijk)”, voegde de Franse minister Guizot een groep ontevredenen uit de burgerij ooit eens toe. In Frankrijk werd de revolutie daarom gemaakt door de 'lagere' groepen uit de burgerij en het proletariaat, die ook deel wilden hebben aan de politieke macht en daarom bijvoorbeeld het stemrecht universeel wilden maken. De 'nationale' kwestie speelde in Frankrijk niet of nauwelijks, omdat de Franse natie min of meer werd omvat door de grenzen van de Franse staat.

In Duitsland had het mislukken van '1848' de meest fatale gevolgen. De afgevaardigden (veelal professoren, rechters, advocaten en prominente zakenlieden) die vanaf mei in Frankfurt bijeen kwamen, moesten zich behalve met een grondwet voor het 'nieuwe' Duitsland, ook bezighouden met de vraag welke gebieden tot dat Duitsland behoorden. De tragiek van de Assemblée bestond daaruit, dat ze voor geen van beide kwesties een oplossing wist te bedenken en zo steeds meer in het vaarwater van het conservatieve Pruisen belandde.

Toen de Assemblée bijeenkwam, had het zogeheten voorlopige parlement dat de Assemblée had voorbereid, al de oorlog verklaard aan Denemarken. Daar waren in maart de Duitsers in Sleeswijk in opstand gekomen. De Assemblée, die zelf geen leger had, nodigde Pruisen uit om de Duitse broerders in Denemarken te hulp te komen, maar de Pruisische generaals hadden daar weinig zin in. De Assemblée was daarom gedwongen om de wapenstilstand die de generaals met Denemarken hadden gesloten, te aanvaarden en verloor zo een groot deel van haar prestige. Toen in Frankfurt daarop rellen uitbraken besloten de afgevaardigden - diep geschokt door de rellen die zich in Parijs hadden afgespeeld - het Pruisische leger te hulp te roepen. Dat reageerde dit keer wel positief en sloeg de opstand neer.

Zo verloor de toch al vernederde Assemblée haar aansluiting met de 'sociale' revolutie en raakte zij steeds meer geïsoleerd. Toen duidelijk werd dat Oostenrijk geen zin had om deel uit te maken van het 'nieuwe' Duitsland, werd de afhankelijkheid van Pruisen alleen nog maar groter. De afgevaardigden besloten om de keizerskroon aan te bieden aan Frederik Willem IV, de koning van Pruisen. Toen deze liet weten geen kroon “uit de goot” te kunnen aanvaarden was de Assemblée definitief mislukt. De meeste afgevaardigden gingen naar huis. Het handjevol radicalen dat in een rompparlement verder wilde gaan, werd door het Pruisische leger Frankfurt uitgejaagd.

De droom van een verenigd, democratisch Duitsland was daarmee voorlopig ten einde. De burgerij vreesde de ontwrichtende invloed van de sociale revolutie en legde zich neer bij de dominantie van Pruisen en de feodale Junkers. Aan het begin van de eeuw had Henrich Heine al afgegeven op de Duitsers die hun vorsten rustig lieten slapen en onderdanig “Goedemorgen, vader!” riepen “als hun heersers 's ochtends wakker werden”. Nu legde de burgerij de keizer en de Junkers nauwelijks meer een strobreed in de weg. De mooie liberale beginselen, die de afgevaardigden uit Frankfurt in hun Verklaring van de Rechten van het Duitse volk hadden geformuleerd, waren vergeten. En het nationalisme waaraan Duitsland zich ging overgeven, was niet dat van een liberaal volk dat uitdrukking wil geven aan zijn politieke rechten, maar dat van een kaste van officieren en edelen, voor wie veroveringen geen ander doel hadden dan het feodale ego te strelen.

Pas toen de greep van deze kaste op Duitsland na het echec van de Eerste Wereldoorlog was verzwakt, kreeg het liberalisme opnieuw een kans. Maar toen voelde Duitsland zich zo vernederd en politiek verzwakt dat de nederlaag van het liberalisme van 1848 niet in een overwinning kon worden omgezet.

Pikant genoeg was alleen in Nederland de revolutie van 1848 een succes. Niet omdat de liberale burgerij naar de wapens greep of omdat het 'proletariaat' in opstand kwam, maar omdat de wankelmoedige koning Willem II door de alarmerende berichten die hem per postduif uit het buitenland bereikten, zo bang werd dat hij instemde met een liberale grondwet. Zo kreeg Nederland datgene in de schoot geworpen, waar de revolutionairen elders vaak tevergeefs voor hadden gevochten. Zonder dat er een druppel bloed vloeide. De angst en zwakte van het staatshoofd legden meer gewicht in de schaal dan de gevoelens van ongenoegen van de burgerij.