Erosiepatroon onthult mogelijke vindplaats Mary Rose

Op 19 juli 1545 verging de Mary Rose, het vlaggenschip van de vloot van Hendrik de Achtste, ten zuiden van de Engelse kust. De locatie van het wrak was al sinds het einde van de jaren zestig bekend, en grote delen van het schip, vooral van de romp, zijn sindsdien opgevist; deze staan tentoongesteld in het havengebied van Portsmouth.

De onder het bodemsediment begraven delen van het schip liggen echter nog op hun plaats - die beschermd is door de in 1973 uitgevaardigde Protection of Wrecks Act - en deze plaats wordt regelmatig gecontroleerd door de Mary Rose Trust om te voorkomen dat schatgravers de nog aanwezige restanten vernielen of meenemen. Wetenschappelijk onderzoek is echter wel toegestaan en onlangs hebben drie Engelse onderzoekers meer bijzonderheden onthuld over de plaats waar mogelijk meer restanten van het schip liggen geconcentreerd (Marine Geology 140, p. 405).

Met behulp van 3-D seismische reflectie is een beeld verkregen van de opbouw van het sediment waarin het wrak thans is opgenomen. Dat sediment blijkt te bestaan uit een afwisseling van min of meer horizontale laagjes zand en klei (en mengsels daarvan), maar daarin bevindt zich een langgerekte, relatief smalle zone die de uitgezonden seismische signalen sterk reflecteert. Een iets minder uitgesproken, maar verder vergelijkbare 'lijn' werd 30 meter ten zuiden van de eerste reflectiezone ontdekt. De onderzoekers interpreteren deze anomalieën als erosiegeulen.

De sterkste reflector moet een insnijding zijn van zo'n 50 meter lang en 20 meter breed; de tweede is ongeveer even lang maar ongeveer 5 meter smaller. De bodem van beide 'geulen' ligt op 4,5-6 meter onder het normale oppervlak van de zeebodem. Omdat beide geulen oost-west zijn gericht, ligt het voor de hand aan te nemen dat ze samenhangen met de ook zo gerichte eb- en vloedstromen ter plaatse.

Deze gegevens wijzen erop dat het schip tijdens het zinken gericht werd volgens de toen heersende stroomrichting (de stroomsnelheden lopen op tot 80 cm/s), en zich in de stroomrichting in de bodem inschuurde. Nadat het schip in de bodem was vastgelopen, schuurden de stromingen een verdere ruimte om het schip uit. Dit betekent dat eventueel losgeslagen fragmenten van het wrak waarschijnlijk te vinden zijn in de geulpatronen, die momenteel niet meer vanaf de zeebodem zijn waar te nemen, maar die met de uitgevoerde seismische methoden exact te localiseren zijn. De auteurs wijzen erop dat er waarschijnlijk veel historisch materiaal in de geulen te vinden zal zijn; zij verklaren de sterke anomalie als een waarschijnlijk gevolg van het verschil tussen de verder vrij modderige zeebodem en de invulling van de geul die sterker zandig is, maar waarschijnlijk ook veel eikenhout van het schip bevat.