DE VRIJE VAL VAN EEN GELIEFD DOELWIT

Hij werd geen lid van het Internationaal Olympisch Comité, maar raakte in opspraak door een interview waarin hij de kroonprins zou hebben beledigd. “Ik heb de zwaarste week van mijn leven achter de rug”, zegt Wouter Huibregtsen, de aftredende voorzitter van NOC*NSF. Nu slaapt hij weer als een roos.

Over gebrek aan steun heeft de in opspraak geraakte sportbestuurder niet te klagen. De bloemisten van Bussum lopen bij hem de voordeur plat, binnen ratelt de fax en rinkelen onophoudelijk twee telefoons. “Het lijkt wel of ik IOC-lid ben geworden”, zegt Wouter Huibregtsen.

Cynisme heeft de overhand bij de gekwetste bestuurder. Om de reactie van Anton Geesink op zijn aftreden moest hij alleen maar lachen. Donderdagmorgen zat hij naar de olympische 1.000 meter schaatsen te kijken, toen tijdens een dweilpauze plotseling de Nederlandse IOC-vertegenwoordiger in beeld verscheen. Geesink gaf Huibregtsen een enorme trap na. Hij zou “een lastpost” zijn en helemaal niets voor de sport hebben betekend. “Zoiets gelooft toch niemand”, reageert Huibregtsen laconiek. “Niemand van de weldenkenden, bedoel ik. Want er zullen altijd groeperingen zijn die niet beter weten.”

Hij heeft geen zin om terug te slaan naar Geesink. “A waste of time. Hier doet hij mij geen kwaad mee, integendeel.” Wel is er weer dat cynisme van Huibregtsen. “Ja, ik ben acht jaar lang als voorzitter op warme wijze gesteund door ons IOC-lid.”

Uit verschillende bronnen heeft hij vernomen dat Geesink zijn benoeming in het IOC heeft tegengehouden. “Omdat Anton dwars lag, zou ik in Nagano nog geen lid worden. Dat wist ik dus half januari al. Maar ik dacht wel dat ik nog steeds de enige Nederlandse kandidaat was. Tot het moment dat ik het bericht over de kroonprins hoorde.” Hij had de afgelopen maanden intensief contact met Samaranch, maar na de benoeming van Willem-Alexander hoorde hij niets meer van de machtige IOC-voorzitter. “Dat schijnt zo te horen”, reageert hij. “Het was wellicht correcter geweest als het anders was gegaan.”

Haatgevoelens zijn Huibregtsen vreemd. “Als de laatste weken iets tot uiting is gekomen, dan is het dat mijn vermogen tot haten zeer beperkt blijkt te zijn. Zo is nu eenmaal mijn natuur. Ik zou Hans van Wissen (de journalist van het spraakmakende artikel) nog niet kunnen vermoorden. Ik vind het alleen maar zielig. Veel mensen zullen het niet geloven, maar ik ben een zachtaardig mens. Ik heb in mijn leven één keer iemand ontslagen en daar heb ik drieënhalf jaar over gedaan. Ik houd niet van vechten, vroeger op school ook al niet. Alleen in de sport wil ik strijden. Als er ergens een wedstrijdje is, ben ik er bij. Klaverjassen, boeken stapelen, zeg het maar.”

Woensdag deed hij op televisie geëmotioneerd zijn verhaal. Daarvóór leek hij onberoerd door de affaire. In Nagano vierde hij het feest om de gouden medailles mee en sprak hij de kampioenen vrolijk toe. Hij reikte zelfs een prijs uit aan zijn grote plaaggeest Geesink. “Het was een grote façade”, geeft Huibregtsen toe. “Keep your chin up. Dat was niet makkelijk. Het vrat aan me, uiteraard. Maar als je in zo'n situatie niet met de vuist op tafel slaat of met het serviesgoed gooit, word je niet serieus genomen. Ik kan nu wel zeggen dat het de zwaarste week van mijn leven is geweest.”

Hij had in Japan twee slapeloze nachten. “Dat waren momenten dat ik even geen houvast meer zag. Ik maakte een enorme vrije val door.” Inmiddels is hij weer in zijn normale doen. “Ik slaap weer als een roos. Ik heb een groot incasseringsvermogen. Ik heb het allemaal snel verwerkt. Je beseft ook dat er veel ergere dingen in het leven zijn. Er kan ook iets met je kinderen gebeuren.”

Heeft u de afgelopen weken gehuild?

Huibregtsen schudt zijn hoofd, maar zegt dat er momenten waren dat de tranen in zijn ogen stonden. “Vooral als mensen mij hun steun betuigden. Dat vond ik soms heel ontroerend en hartverwarmend. Ik heb veel persoonlijke warmte ontvangen. Het is zeker niet zo dat ik nooit huil. Huilen is ook mooi. Het gebeurt me makkelijk bij een film. Bij Bambi bijvoorbeeld. Maar in deze kwestie was ik aangeslagen, niet wanhopig.”

Toch kon hij zich in Nagano slechts heel af toe onttrekken aan “die afschuwelijke deken van ellende”. Zo bezochten Huibregtsen en zijn vrouw een bevriend Japans echtpaar. “We moesten er vier uur voor rijden, maar het was de moeite waard. We hebben fantastisch gegeten. Blowfish, een vis met giftige ingewanden. Lang niet alle koks mogen en kunnen die klaarmaken. Want als het niet goed gebeurt, gaan de klanten de pijp uit.”

Huibregtsen zat in Nagano in de auto toen hij telefonisch hoorde van het artikel in de Volkskrant. De NOC*NSF-voorzitter, die ontkent de kroonprins te hebben beledigd, rook meteen onraad. Achteraf beseft hij, dat hij toen meteen naar Nederland had moeten terugkeren. “Dan was het niet zo geëscaleerd en had ik me kunnen verdedigen. Nu heerste er een sfeer van: die man heeft het kennelijk geaccepteerd.” Hij heeft zich verbaasd over “de onzin” die in Nederland over hem is verteld. “Zelfs in een tv-programma als Nova werd gesuggereerd dat ik onder invloed was geweest toen ik met Van Wissen praatte. Ook zouden twee lijfwachten me van de prins hebben moeten weghouden. Waar halen ze het toch vandaan?”

Het heeft Huibregtsen zichtbaar opgelucht dat hij deze week in de media uitgebreid zijn commentaar kon geven. Op televisie vertelde hij dat hij liever, zoals tennisster Monica Seles, een mes tussen zijn ribben had gekregen. “Want dan weet je zeker dat je na 22 maanden weer op de been bent.” Nu is het maar afwachten of zijn naam van alle blaam zal worden gezuiverd. Huibregtsen is daar optimistisch over. “Een goede uitdaging, zouden we bij McKinsey zeggen.” McKinsey is het wereldwijde organisatie- en adviesbedrijf waarvan hij de Nederlandse vestiging leidt. “Voor het concern is dit ook ontzettend vervelend.”

Hij was zich altijd bewust van het risico dat zijn voorzitterschap voor zijn maatschappelijke carrière inhield. “Ik heb vanuit Nagano ook direct mijn functie ter beschikking gesteld”, zegt hij. “Maar dat vonden ze in Amsterdam niet nodig.” De hoogste baas in Chicago heeft nog niet gereageerd. “Ik denk niet eens dat hij weet wat er gaande is. Dit is ook een puur Nederlandse zaak. Ik spreek hem over twee weken in New York. Het belangrijkste is wat er bij onze cliënten leeft. Die reacties zijn wisselend, van licht negatief tot heel positief.” Huibregtsen is overigens al zo'n zes jaar aan het afbouwen bij McKinsey. Al wil hij niet zeggen wanneer hij zijn afscheid heeft gepland. “Want dan wordt meteen weer gesuggereerd dat ik dáár ook weg moet. Maar de brief ligt al een week of zes klaar.”

Het gegeven dat hij uit het bedrijfsleven afkomstig is, heeft hem in de sport vaak parten gespeeld. “Ik had bij voorbaat al een label om mijn nek hangen met de woorden 'enge man'. Of ik nou glimlachte of stug keek.” Hij somt nog een paar andere punten op waarom mensen hem negatief bejegenen. Zoals de algemene antipathie tegen bestuurders. “Er is geen respect voor leiderschap. We zijn graag bereid met z'n allen iemand van zijn voetstuk te flikkeren”, stelt hij vast. “Ik maak op mensen vaak een overweldigende indruk. Omdat ik in vrede met mezelf leef. Daar is toch niets mis mee? Ik ben zelfverzekerd en denk snel. Als ik praat kijk ik mensen niet aan. Anders kan ik niet nadenken. Brain-functioning. Een minpunt, zeker. Maar dat wil niet zeggen dat ik geen interesse voor andere mensen heb.”

Volgens Huibregtsen moet de voorzitter van NOC*NSF zich veel dingen laten welgevallen. “Je bent een geliefd doelwit voor columnisten. Zelfs Freek de Jonge, die ik toch heel goed ken, heeft een onaardig stuk over me geschreven. Alleen maar om leuk te willen zijn. Er wordt in deze functie een enorme claim op je gelegd, maar er staat heel weinig tegenover. Toch zijn mensen jaloers op me. De Nederlandse sport trilt nu weer op zijn grondvesten, want er kan weer iemand voorzitter van NOC*NSF worden. Ik zie al mensen in de startblokken staan, maar ik heb nog geen naam van een goede kandidaat gehoord of gelezen.”

Het zal niet eenvoudig zijn een opvolger van zijn kaliber te vinden. “Nee, dat denk ik ook niet, maar dat klinkt uit mijn mond waarschijnlijk wat onbescheiden.” Weer dat cynisme: “Maar het is zoals mijn collega Loorbach (vice-voorzitter NOC*NSF) zegt: Iedereen is vervangbaar.”

Wat nu als de bonden u vragen terug te keren als voorzitter?

“Dat merk ik dan wel”, antwoordt Huibregtsen ontwijkend. Maar hij zal zeker niet bij voorbaat negatief reageren. “Dat is mijn stupide verantwoordelijkheidsgevoel”, zegt hij. “Het zou ook een vorm van rehabilitatie zijn”, realiseert Huibregtsen zich. Hij wijst dan naar zijn echtgenote. “Truusje zou het niet willen.”

Mevrouw Huibregtsen schudt haar hoofd aan de andere kant van de huiskamer. “Er is veel te veel gebeurd”, zegt ze. “Met mensen die je als een baksteen hebben laten vallen, wil je toch niet meer door één deur? En die roepen straks dan weer gewoon ja, meneer de voorzitter, nee, meneer de voorzitter.” Huibregtsen is het met zijn echtgenote eens. “Ik had beter naar haar moeten luisteren. Vrouwen hebben een beter instinct om mensen te beoordelen.”

De aftredende voorzitter gaat komende week zeker niet naar de aankomst van de olympische ploeg uit Nagano en de officiële ontvangst bij de koningin. Huibregtsen heeft nog even geaarzeld, zegt hij, maar hij doet het toch niet. “Ik kan in ieders belang daar beter wegblijven. Ze zullen me echt niet missen.”