'Al mijn zonen' is stijlvast en smaakvol

Voorstelling: Al mijn zonen van Arthur Miller door Theater van het Oosten. Regie: Leonard Frank. Decor: Catharina Scholten. Kostuums: Carla van Heeckeren van Brandsenburg. Spel: Han Römer, Margreet Blanken, Olaf Malmberg, Oda Spelbos e.a. Gezien: 19/2, Bommersheuf, Zevenaar. Nog te zien: t/m 28/5 door het hele land. Inl. (026) 443 76 55.

De Amerikaanse schilder Edward Hopper (1882-1967) wordt uiteraard niet genoemd in de lijst der medewerkenden, maar een bijdrage heeft hij onmiskenbaar geleverd aan de enscenering van Arthur Millers stuk Al Mijn Zonen (1947) door Theater van het Oosten. Zowel decorontwerpster Catharina Scholten als regisseur Leonard Frank moet zich haast wel hebben laten inspireren door zijn desolate taferelen en door zijn vermogen alledaagse onderwerpen met licht, vlakverdeling en strenge geometrische ordening een schok van vervreemding teweeg te laten brengen.

Hoewel Hopper zijn stijl al definitief vond in de jaren twintig, doen zijn beelden van bij voorbeeld figuren aan de bar van een wegrestaurant - of liever de counter van een diner - onwillekeurig toch vooral denken aan de jaren veertig en vijftig, aan het Amerika uiteraard van die jaren. Misschien ontstaat dat anachronistische effect alleen in Europese ogen: hoe verlaten de sfeer op Hoppers schilderijen ook is, ze roepen ook associaties op met welvaart, moderne highways en grenzeloos comfort dat Europeanen tijdens de wederopbouw-jaren met ontzag vervulde.

Ofschoon niet bijster origineel is het dus wel logisch dat Frank ten behoeve van Arthur Millers naoorlogse Amerika te rade gaat bij Hopper. Temeer daar Millers stuk handelt over welvaart, die gebaseerd is op een leugen en schone schijn. De verlatenheid van elk van zijn personages is een thema, net als de verdediging van de zorgvuldig opgetrokken façade - en het desondanks aan het licht treden van steeds grotere scheuren.

Joe Keller is de Amerikaanse variant van onze eigen oweeër: rijk geworden van handel in ondeugdelijke vliegtuigonderdelen, heeft hij de dood op zijn geweten van enkele piloten. Drie jaar na de oorlog - als Joe zichzelf heeft weten vrij te pleiten - blijkt dat zijn oudste zoon, militair, de hand aan zichzelf heeft geslagen vanwege het onverdraaglijk immorele gedrag van zijn vader.

De eenzaamheid van Millers personages vangt Catharina Scholten in een decor in de vorm van een vrijwel lege doos. Het achterdoek toont een weidse Amerikaanse vlakte, ervoor staat her en der een iel Arne Jacobsen-stoeltje en op de voorgrond symboliseert een tuinvijver de rijkdom van de familie Keller. Noodgedwongen werpt de belichting in deze heldere maar benauwde ruimte dreigende schaduwen, vergelijkbaar met het spel van Franks acteurs.

Vervreemdend realisme is de stijl van dat spel, geheel in overeenstemming met Hoppers schilderijen. Margreet Blanken als de in verdringing geschoolde, neurotische vrouw van Keller geeft er de mooiste voorbeelden van: op een pijnlijk moment poetst zij de schoenen van haar man met haar rok van changeant-stof en neemt zij zelfs de vloer even mee nadat hij is weggelopen.

Erg ontroerend ook is ze als ze piepend de onthullende afscheidsbrief leest van haar oudste zoon: het is verdriet dat sterk gestileerd is maar zonder effectbejag. Al Mijn Zonen is geen onvergetelijk evenement, maar wel een goede en smaakvol in elkaar gezette voorstelling, zorgvuldig en stijlvast.

De frisse aquarel-tinten van de rekwisieten zijn even bedrieglijk als die van de kostuums en de parelwitte tanden van de personages: geen vuiltje aan de lucht, ogenschijnlijk. Tezamen met de charme van Millers met de jaren wel wat omslachtig geworden stuk levert dat effect een toepasselijke enscenering op.