Achter de tralies

Deze twee huizen staan al jaren op afbraak te wachten. Links is onlangs een winkel in dure sportkleding geopend, rechts handhaaft zich de oude kapper die bejaarden voor half geld knipt, en daartussen dit vergeten stukje stad, te klein voor een projectontwikkelaar.

De ruiten zijn kapot, de muren en deuren worden iedere week met andere affiches beplakt; iedere week een nieuwe decollage. Eén van deze pandjes heeft een winkel gehuisvest. Wat de etalage is geweest, wordt nu afgeschermd door roestig traliewerk, en daarachter is een schot van multiplex dat tot ongeveer een decimeter onder de raamlijst reikt. Het doet denken aan de Bernauerstrasse nadat de Muur was gebouwd, dwars door een huis heen. Daar hebben nog jaren de gordijnen voor het beton van de DDR gehangen.

Op weg naar het krantenstalletje kom ik er iedere dag langs. Ik verdiep me terloops in de raadsels achter het multiplex en de toekomst van deze stadsplek. Dat is een routine. Het verdiepen op zichzelf is genoeg, en op zekere dag, als ik tijd van leven heb, zal ik verrast zijn door wat een projectontwikkelaar er heeft verzonnen. Dat het nog lang mag duren voor het zo ver is. Zo schept een mens van dag tot dag zijn eigen tijdloosheid.

Op de ochtend van woensdag 18 februari 1998 had het lot iets anders bedacht. Achter de tralies zat een duif; binnengekomen via de opening boven het multiplex, en niet wetend hoe hij de weg terug moest vinden. Een vogel in wilde paniek. In één oogopslag kon je zien dat het dier ten dode was opgeschreven als er geen mensenhand te hulp zou komen. Maar welke mensenhand?

Die van mij waarschijnljk, omdat ik hem het eerst had gezien. Ik vond een stokje, probeerde daarmee tussen de tralies door de duif in de richting van de uitgang te jagen. Maar de ruimte was te smal om hem zijn vleugels te laten uitslaan. Het bleef bij angstig fladderen, een klein stukje boven de vensterbank. Op zo'n manier zou ik, al reddend, hem een hartverlamming bezorgen. Dan had ik zijn dood op mijn geweten.

Terwijl ik zo bezig was met mijn mislukkende redding, liepen de mensen op weg naar hun werk, extra haastig en zorgvuldig niet kijkend door. Een man met een stok tussen de tralies van een leegstaande winkel in de weer: niet in orde. Er zijn al te veel gekken in de stad. Maar als je lang genoeg hulpeloos om je heen blijft kijken, vind je op den duur toch een geestverwant. Deze was een man van een jaar of dertig, gekleed op de volgende succesrijke dag in zijn carrière. Hij bleef staan, zette zijn aktenkoffertje op straat en bekeek de situatie. “We moeten het multiplex inrammen”, zei hij, nam mijn stokje over en begon. De duif raakte weer in paniek en het stokje brak in twee onbruikbare fragmenten. “Ik zou een dikkere stok zoeken”, zei hij en liep door.

Wat te doen? zei Lenin. Als ik nu de duif in de steek zou laten, zou ik de hele dag aan hem moeten denken, teruggaan, kijken hoe hij het maakte. En in het ergste geval: nooit meer met een goed geweten daar kunnen lopen.

Een meter of tien verderop had een dakloze zijn nachtleger verlaten. Tot zijn inventaris hoorde een dik stuk hout om zich tegen inbrekers te verweren. Dat leende ik en begon ermee tegen het multiplex te duwen terwijl ik kalmerende geluiden tegen de duif maakte. Er zat wel beweging in het schot, maar niet genoeg en ik merkte dat ik niet sterk genoeg was voor de finale duw.

In zo'n geval bel je dan in Amsterdam de brandweer. Hier niet. Voor in nood geraakte dieren heb je de politie, als die toevallig in de buurt is. Op de hoek daar staan vaak twee agenten. Die waren nu nergens te zien, maar wel stond bij de ingang van de subway een reusachtige functionaris, in dienstpak, met dienstpet op. Achteruit de pet kwam een ook alweer reusachtige staart van hoofdhaar. Het geheel maakte de indruk dat ik het erop kon wagen.

“Meneer”, zei ik. “Er is een duif in nood, daar verderop, en als we hem niet redden gaat hij dood.”

Hij zei niets. Zwijgend liepen we naar de duif achter de tralies. Hij nam de situatie in ogenschouw, pakte het stuk hout, ramde een paar keer tegen het schot. Het kraakte, kantelde en viel in de diepte. De duif vloog de donkere ruimte in.

Nog altijd zwijgend gingen we terug naar zijn standplaats. Daar heb ik hem bedankt, ook uit naam van de duif. Hij knikte vriendelijk. “Have a nice day”, zei hij.

Nu was ook de zon nog gaan schijnen. Te mooi weer om de kranten te gaan lezen. Ik liep verder, door de stad, in de richting die ik toevallig had gekozen, en daarbij was er een wijsje in mijn hoofd gekomen. Dat neuriede ik intern. Het was: Je vois la vie en rose.