Westwaarts ligt altijd een nieuw begin; Toni Morrisons eerste roman na de Nobelprijs

Toni Morrison: Paradise. Alfred A. Knopf, 318 blz. ƒ 44,50 (geb.)

Natuurlijk verandert de Nobelprijs voor literatuur je leven, gaf Toni Morrison (66) vorige maand toe in het weekblad Time; iedereen wil je mening horen, vooral over politiek-maatschappelijke kwesties, en je wordt onvermijdelijk bang om je reputatie met een volgend boek te grabbel te gooien. Maar, zo onderstreepte de winnares van 1993, echte populariteit is van minder prestigieuze onderscheidingen afhankelijk.

Morrison, niet de toegankelijkste Afro-Amerikaanse schrijfster, werd in Amerika pas een verkoopsucces toen de Oprah Winfrey Book Club haar twintig jaar oude roman Song of Solomon selecteerde als boek van de maand. Sinds december 1996 werden er meer dan een miljoen exemplaren van het complexe epos over zwarte identiteit verkocht, terwijl de paperbackoplagen van Morrisons andere boeken met een kwart omhoog gingen. Dit zorgde er ook voor dat een groot publiek met spanning uitkeek naar Morrisons nieuwe roman.

Paradise, de opvolger van de in 1992 verschenen Harlem-roman Jazz, zal de Morrison-liefhebbers niet teleurstellen. Net als in Jazz en Beloved (1987) varieert Morrison met veel stilistische brille op de geschiedenis van zwart Amerika, in dit geval de trek naar het Westen van de slaven die na de Burgeroorlog waren vrijgelaten. Net als in The Bluest Eye (1970) en Tar Baby (1981) is discriminatie op basis van kleur een belangrijk thema. En net als in bijna al haar romans spelen vrouwen de hoofdrol - zwarte moeders en minnaressen die zich verzetten tegen de bekrompenheid en hypocrisie van een door mannen gedomineerde samenleving.

In Paradise vertelt Morrison heen en weer springend door de tijd het verhaal van het fictieve dorpje Ruby, een geïsoleerde nederzetting in Oklahoma die vlak na de Tweede Wereldoorlog werd opgebouwd door zwarte migranten. Deze deden wat hun voorouders driekwart eeuw eerder hadden gedaan: een eigen ideale staat stichten om de onvolmaakte wereld buiten te sluiten. In 1870 gebeurde dat omdat de zwarte pioniers door hun rasgenoten geweerd werden uit een bestaande nederzetting - wegens hun te donkere huidskleur; in 1945 was het de angst voor morele en sociale verloedering die tot verder trekken dwong. Want, zo weet iedere Amerikaan, westwaarts ligt altijd een nieuw begin.

Twintig jaar lang was Ruby, Oklahoma een modelmaatschappij, een plaats waar vrouwen en kinderen veilig waren en buren elkaar hielpen; kortom de zwarte verwerkelijking van het aloude Puriteinse ideaal van de 'City upon a Hill'. Maar geen paradijs zo mooi of het is tot verdwijnen gedoemd. De rigide manier waarop de elders van de stad vasthielden aan de oude levenswijzen bracht conflicten met de steeds vrijer wordende jaren-zestiggeneratie. Bevriende families kregen ruzie, hun zoons en dochters ontvluchtten de stad; vrije seks en schietpartijen waren niet langer een uitzondering.

'They shoot the white girl first. With the rest they can take their time', luiden de suggestieve eerste zinnen van Paradise. Bij wijze van proloog wordt beschreven hoe negen zwarte mannen een door ongebonden vrouwen bewoond voormalig klooster in de buurt van Ruby binnendringen om ervoor te zorgen 'that nothing inside or out rots the one all-black town worth the pain.' Waarna in de rest van het boek wordt onthuld waarom deze lynchers hun woede koelen op de de vijf vrouwen in 'The Convent'; en vooral hoe schijnheilig en misogyn hun motieven zijn.

Elk hoofdstuk van Paradise, op het eerste en het laatste na, wordt verteld vanuit het perspectief van een vrouw. Zo krijgen we niet alleen bij stukjes en beetjes de historie van de zwarte nederzetting te horen, maar ook de levensgeschiedenissen van de belangrijkste vrouwen in Ruby en The Convent. Van de naamgeefster van het dorp bijvoorbeeld, die ziek wordt voordat de zwarte migranten in 1945 hun beloofde landgoed bereiken en sterft omdat blanke hospitaalzusters alleen de veearts voor haar willen waarschuwen. Van de onberekenbare Mavis, die ten enen male ongeschikt is als moeder en na een vreselijk drama bij toeval terechtkomt in The Convent. Van de door schuldgevoel en zelfdestructie geplaagde Seneca, de zelfverzekerde femme fatale Gigi, en de oermoeder Lone die iedereen doorziet. Allemaal vrouwen die, zoals de schrijfster het formuleert 'God noch mannen nodig hebben.'

Lang niet alle figuren in Paradise komen tot leven. Lezers van Song of Solomon of Beloved weten dat Morrison dol is op symbolische personages die een bepaalde karaktertrek of een maatschappelijk idee vertegenwoordigen. Vooral de mannen van Ruby zijn vlak geschetst: de een is de rechtlijnigheid in persoon, de ander is het stereotype van de patriarch, de volgende is de vleesgeworden hypocrisie. Omdat ook sommige vrouwelijke hoofdpersonen nogal eendimensionaal beschreven zijn, word je als lezer niet gemakkelijk meegesleept. Paradise is een boek dat zich moeilijk laat veroveren en waarvoor je al je concentratie nodig hebt.

Wie zich hierdoor niet laat afschrikken, leest een mysterieuze en soms roerende roman over klassieke Amerikaanse thema's: het verlies van onschuld en de botsing tussen droom en werkelijkheid. De bijbelse parallellen (Exodus!) en de morele lessen van het boek - idealisme leidt tot verstarring, sommige zwarten maken ergere fouten dan de door hen verachte blanken - liggen er misschien dik bovenop, maar daar staan veel mooie passages tegenover. En ten minste één prachtig hoofdstuk: dat over Consolata, de vriendelijke matriarch van The Convent die als klein meisje door een non van een vuilnisbelt in Zuid-Amerika is geplukt en naar Oklahoma ontvoerd. Het is in dit verhaal, over een wonderlijke jeugd en een amour fou, over roeping en noodlot, dat Toni Morrisons stijl perfect tot z'n recht komt. In haar barokke, ritmische zinsbouw en haar buitenissige, poëtische woordkeus benadert ze dan zelfs haar grote voorbeeld (en collega-Nobelprijswinnaar) William Faulkner. Lof zij de vertaler die daar de komende maanden even vloeiend Nederlands van gaat maken.

Een vertaling van 'Paradise' komt dit voorjaar uit bij Bert Bakker.