Tweede roman van Basha Faber; De biecht van een anti-heldin

Basha Faber: Wisselkind. Roman. 312 blz. Meulenhoff, ƒ 39,90

Halverwege Wisselkind, de tweede roman van Basha Faber, voert een jonge vrouw - in een flash back - een voor de na-oorlogse generatie zeer herkenbare dialoog met haar stokoude vader. Het is midden jaren zestig en de dochter, een nakomelingetje uit haar vaders zoveelste huwelijk, vertelt dat ze heeft meegedaan aan het bekladden van het Van Heutsz-monument. Ze heeft 'moordenaar' op het monument gekalkt, 'omdat van Heutsz duizenden Atjehers heeft omgebracht, terwijl de Nederlanders daar niets te zoeken hadden'.

Tot haar tevredenheid geeft haar vader toe dat de Nederlanders inderdaad niets te zoeken hadden in Atjeh, maar niettemin was Van Heutsz volgens hem geen moordenaar. 'Er was geen sprake van een onrechtmatige daad. Nederland had officieel de oorlog verklaard. Nederland viel aan, Atjeh vocht terug. Een moordenaar doodt onrechtmatig of onmenselijk en Van Heutsz was beslist menselijk.'

Dat is een manier om de geschiedenis te bekijken waar de provo-dochter, Katie genaamd, versteld van staat, maar waar ze wegens gebrek aan feitenkennis geen weerwoord op heeft. 'Ze wist niet veel van Van Heutsz; en al had ze zich suf gestudeerd op de man, dan nog zou haar kennis het afleggen tegen die van haar vader.'

De lezer weet op dat moment al hoezeer de vader, rond de eeuwwisseling KNIL-arts in Kota Radja en toen levend met een Atjehse vrouw uit een familie van verzetsstrijders, op de hoogte was van wat er tijdens de Atjeh-oorlog is voorgevallen. Katie komt daar gaandeweg ook achter en wel via haar halfzus Sophie, de hoofdpersoon van Fabers spannende, grotendeels in het verleden spelende roman.

Sophie is zo oud als de eeuw en als half-Atjehse wil ze in 1995 ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Republiek Indonesië een daad stellen ter ondersteuning van de nog altijd actieve verzetsbeweging Aceh Merdeka. Omdat ze zelf te oud is om naar Atjeh te gaan, biedt ze haar 45-jarige zoon Gideon en de even oude Katie een reis daarheen aan. Dat ze al jarenlang telefonisch contact heeft met de bevrijdingsbeweging ter plekke en met een vertegenwoordiger daarvan terroristische plannen heeft gesmeed waarin haar zoon en halfzus een rol moeten spelen, weten Gideon en Katie niet. Wel vertelt Sophie Gideon, vlak voor hij afreist, haar fascinerende geschiedenis van kind tussen twee culturen, en tussen collaboratie en verzet.

Uit de brokstukken van haar herinneringen komen we te weten hoe Sophies moeder, familie van de beroemde Atjehse collaborateur en latere verzetsstrijder Teukoe Oemar, in 1904 (na de Hollandse verovering van de Gajo- en Alaslanden, waarbij een kwart van de bevolking werd afgeschoten en hele dorpen werden uitgemoord ) samen met haar dochtertje wegliep van haar Hollandse man. Ze was de KNIL-arts, die had meegedaan aan de bloedige 'Gajo-expeditie' als vijand gaan beschouwen. Maar toen ze zich bij haar verzetsfamilie in de bergen meldde, werd ze als 'overloopster' onder de ogen van de vierjarige Sophie vermoord.

Sophie - anno 1995 een in Nederland wonende hoogbejaarde weduwe - koestert als obsessie dat zij de tragische dubbelhartigheid van haar Atjehse familie personifieert. Niet alleen de legendarische, door de Nederlanders vermoorde Teukoe Oemar was zowel collaborateur als verzetsstrijder, hetzelfde gold voor haar moeder en voor haarzelf. Zij werd na haar moeders dood en haar vaders overhaaste vertrek naar Nederland achtergelaten bij de Nederlander Justus van Weerdestein, die later haar echtgenoot zou worden. Justus maakte deel uit van het in 1890 op initiatief van Van Heutsz opgerichte Korps Marechaussee, dat tot diep in de binnenlanden op verzetsstrijders joeg.

Sophie groeit op in een bivak, een omheind militair kamp, leert schieten en spioneert voor de Hollanders in de barakken van de krijgsgevangenen. Pas later hoort ze van haar familie van moeders kant wat de Hollanders hebben aangericht en begint ze zich te identificeren met de Atjehse verzetshelden en -heldinnen. Zo wil ze ook worden: aanvoerster van de Atjehse onafhankelijkheidsstrijd, maar ze eindigt in Holland, als 'Indische' echtgenote van een voormalige KNIL-militair. 'De slaafse njai, de hoer, de inlandse soldaat, de overloper naar de vijand, de verklikker, de spion, de collaborateur, díe hadden haar en haar lotgenoten voortgebracht. Geen land kon immers blijvend worden bezet zonder medewerking van binnenuit. (...) Heulen met de vijand, dat deed haar moeders vader, dat deed haar moeder! Dat deed zij! Heen en weer, trekvogel, wisselkind.'

Faber baseert haar verhaal, zo blijkt uit haar verantwoording, op historische bronnen en familiegeschiedenissen, maar weeft daar op overtuigende wijze een verzonnen verhaal doorheen. De bekentenissen die Sophie als half Atjehse/half Nederlandse doet, staan er borg voor dat van de bloedige onderwerping van Atjeh geen eenzijdig beeld wordt gegeven. Ze zorgen tevens voor de nodige betrokkenheid, die een roman onderscheidt van non-fictie. Emoties zijn er in overvloed en juist die emoties weet Faber zo indringend over te brengen dat de lezer zich zowel in Sophie kan verplaatsen als in haar Hollandse echtgenoot, die in 1949 bij de onafhankelijkheid van Indonesië de vlag halfstok hangt.

Wisselkind heeft meer te bieden dan het bloedstollende verhaal van de onderwerping van Atjeh en de ingewikkelde, maar nog altijd actuele drama's van collaboratie en verzet. Net als in Couperus' Van oude mensen de dingen die voorbij gaan, waarvan de echo in Wisselkind naklinkt, worden - stukje bij beetje - ook zeer persoonlijke familiegeheimen uit de doeken gedaan: liefdesgeschiedenissen die eveneens te maken hebben met loyaliteit versus verraad. De biecht van Sophie, vol van wraakzuchtige hartstocht geeft inzicht in de vervormde psyche van een zwaar getraumatiseerde oude vrouw die met haar onverantwoordelijke gedrag de levens van haar zoon en halfzus op het spel zet.

Gideon en Katy, die voor Sofie naar Atjeh reizen, vertegenwoordigen de laatste generatie kinderen van kolonialen. Zij hebben het - in hun ogen - schuldige verleden van de familie verwerkt: eerst door zich aan te sluiten bij het anti-koloniale, anti-autoritaire verzet van de jaren zestig, vervolgens door een dikke streep te zetten onder de geschiedenis en zich zonder enige politieke betrokkenheid, uiterst pragmatisch op hun werk en privéleven te concentreren.

Sophie wil, voordat ze de familiegeschiedenis meeneemt in haar graf, haar liefde voor Atjeh doorgeven. Betrokkenheid bij de onafhankelijkheidsstrijd van Atjeh beschouwt ze als een cadeau dat ze hen uit alle macht probeert op te dringen. De manier waarop ze dat doet levert de thriller-achtige plot op van Wisselkind, waarvan de ontknoping op zijn minst dubbelzinnig is.

Op het eerste gezicht levert haar actie helemaal niets op. Gideon blijkt na afloop van zijn tropische avontuur voornamelijk gefascineerd door de kolonisators, de Portugezen en de Hollanders, terwijl Katie letterlijk zegt haar buik vol te hebben 'van koloniën, ex-koloniën en koloniale nasleep die vijftig, honderd, ja honderden jaren later nog merkbaar was'. Maar tegelijkertijd is er Basha Faber, die de geschiedenis van Sophie gloedvol en gevoelig beschreven heeft in dit boek, en haar daarmee voor de eeuwigheid heeft bewaard.

Wisselkind is slechts in één opzicht te vergelijken met De Maagdenmantel (1995), Fabers magisch-realistische debuutroman over een fictief Latijns-Amerikaans land dat nog altijd zucht onder de gevolgen van de Spaanse overheersing. Die overeenkomst is haar onverholen weerzin tegen elke vorm van kolonialisme. Maar ze geeft daaraan uiting op een wijze waar de term 'politiek correct' in de verste verte niet op van toepassing is. Haar betrokkenheid verpakt ze in stilistisch perfecte, goed gecomponeerde verhalen waaruit behalve een groot vertellerstalent ook kennis van zaken spreekt. Faber heeft met Wisselkind opnieuw een schitterend boek geschreven en een verrassende bijdrage geleverd aan de Indisch-Nederlandse literatuur

Uit: Basha Faber, Wisselkind

Ik heb geen dochter', zei de vrouw. 'Verraadster'. Sophie deinsde achteruit tegen de wand van de hut. Vingers, krom en zwart als een klauw, klemden zich om een rentjong. 'Verraadster', zei de vrouw nog een keer en stortte zich op haar dochter. Verder herinnerde Sophie zich niets, niet hoe haar moeder er dood had uitgezien, niet of ze op de begrafenis was geweest.