Poëzie zonder grootspraak

Anton Korteweg: In handen. Meulenhoff, 64 blz. ƒ 34,90

Een duikelaar of duiker is een zwemvogel die de neiging heeft zijn kop regelmatig onder water te steken en daar wat rond te foerageren om vervolgens met een vlotte beweging weer boven te komen. Een duikelaar is ook een speelgoedpoppetje dat rust op een met lood verzwaarde halve bol. Het wankelt en wiebelt voortdurend, maar het kan niet omvallen. Zelfs als het op zijn kant wordt gelegd, richt het zich uit zichzelf weer op, net als een duikelende eend. Over zo'n eend, dan wel zo'n eendverwant speelgoedding lijkt het te gaan in het kwatrijn 'Duikelaar' van Anton Korteweg, te vinden in zijn nieuwe bundel In handen: Al lijk ik er wat wankel bij te staan, vergis je niet: ik heb een fundament diep in mezelf. Ik richt me altijd op. Ik ben door niets, door niemand neer te slaan. Het ligt voor de hand (zie ook de ik-vorm) te denken dat de dichter zich graag met zo'n worstelend, maar altijd weer boven komend duikelaartje wil vereenzelvigen. Het zou een zelfportret kunnen zijn, of anders een gewenst zelfportret: hoe wankel ik er ook bij mag staan, en hoe hevig ik soms ook heen en weer gezwiept word, er is in mij toch ergens een fundament dat mij altijd weer overeind helpt. Het zou ook gelezen kunnen worden als een beeld voor het gedicht, dat aanvankelijk nog alle kanten op kan, maar dat aan het eind, als het goed is, door de zwaarte van de slotregel, toch weer fier in het gelid staat.

Uit een aantekening achterin de bundel blijkt dat het hier gaat om een in opdracht van de gemeente Den Haag geschreven gelegenheidsgedicht, dat 'deel uitmaakt van een bijna menshoge cilindervormige duikelaar', bestemd voor de Haagse Hogeschool. Met die wetenschap wordt het een heel ander gedicht: een aanmoediging, mede namens de schoolleiding, voor de studenten om de hoop niet op te geven. Want duikelen betekent ook: zakken voor een examen.

Zo staan hier als het ware twee ikken naast elkaar: de dichter, sprekend namens zichzelf in een persoonlijke ontboezeming over zijn gezwiep in het leven en een anonieme zittenblijver die zichzelf moed inspreekt. Het is een verschijnsel dat zich in de poëzie van Korteweg vaker en meestal op een wat ingewikkelder manier voordoet: dat van de verschillende gebruiksmogelijkheden en lezingen. Neem 'Wij samen', een oorspronkelijk op verzoek van het tijdschrift Parmentier geschreven 'nieuwe psalm'. Korteweg koos voor de 139ste, over de goddelijke alwetendheid. 'Gij bezet mij van achteren en van voren, en gij zet uwe hand op mij' zingt David in de Statenvertaling voor de opperzangmeester. Korteweg: 'Onder en boven, je bent om mij heen; ik in je, je weet van mij alles' en 'geen kant kan ik op, in Den Haag niet en nergens - licht is er niets bij.' En zo gaat dat door: achttien regels vol bewijzen van de alziendheid en alomtegenwoordigheid van de ander. De dichter lijkt daar niet al te zeer onder te lijden, want de toon van zijn 'vertaling' blijft vriendelijk. Beter iets dan niets: 'Gebonden zijn, gekend, in iemand - erg is het, maar niet is nog erger misschien.'

Toch dient zich gaande het gedicht tussen al dit vertrouwelijke gebabbel ('Wij samen') een ander vermoeden aan: dat de toegesprokene niet zozeer de Heer is, als wel de vrouw van de dichter, op haar manier al even alomtegenwoordig. 'En hoe dan ook, altijd, ik denk aan je, op de gekste momenten en nooit niet eens niet.' Ook hier zou ik niet weten welk van beide lezingen nu de beste, of de door de dichter bedoelde is. Het lijkt me dat hij dat bewust in het midden heeft willen laten, in een gedicht dat nu weer eens een psalm lijkt (maar dan wel met hedendaagse en pikante trekjes), dan weer een liefdesverklaring (maar dan wel in vreemde, deels aan de bijbel ontleende taal).

Dergelijke dubbelzinnigheden maken het moeilijk de poëzie van Korteweg snel te beoordelen en dat lijkt mij ook niet de bedoeling. Van snelheid moet hij het niet hebben, eerder van inwerking op de middellange termijn. Korteweg laat zijn gedichten graag een beetje in de lucht hangen, ergens tussen het persoonlijke en het algemene in, met her en der nog wat losse draden, een open vraag en een terloops einde. Mooi of welluidend zijn ze niet bepaald. De meeste van zijn gedichten zijn geschreven in spreektaal, hardop pratend tegen een ander of tegen zichzelf, in onaffe zinnen, zonder ritme of rijm. Dat is de stijl waarin hij recht kan doen aan de vele overwegingen die er in zijn hoofd omgaan, inclusief terzijdes en tegenwerpingen.

Zo'n houding maakt het ook moeilijk iets overkoepelends over Kortewegs poëzie te zeggen. Naast zijn meer verknoopte kant is er ook in deze nieuwe bundel de wat lichtere humor, in korte kwatrijnen met een kwinkslag of een kloeke conclusie, steevast op rijm. Het hardop praten over allerlei existentiële zwarigheden gaat gepaard met veel aanschouwelijke anekdotiek, over de dood van de poes Bor bijvoorbeeld, de reclame van Domo, of een toevallige ontmoeting in de trein.

In handen kan ook gelezen worden als een kroniek van het alledaagse leven aan het einde van de twintigste eeuw, zoals bijvoorbeeld waargenomen in de omgeving van Zoeterwoude: 'een tunneltje met Ave Knar en Osdorp Posse' naast 'grutto's, graskeerders, koolzaad overal', 'een veulen met een gele trein meerennend' en 'het polderbrede front van Heineken', een boerin die haar BMW wast naast paarse seringen. Zo'n opsomming heeft iets treurigs en je bent al gauw geneigd er spotzucht achter te vermoeden, maar het loopt verrassend genoeg uit op een heuse levensles: 'Hiervan te blijven houden is verstandig, / of nu de tijd er wel of niet iets af of bij doet. / Lukt dat, het scheelt straks zeker in het doodgaan.'

Het is moeilijk te bewijzen, maar ik geloof niet dat deze regels ironisch bedoeld zijn. Daarvoor zijn ze ook te moeizaam, om niet te zeggen onbeholpen van formulering. Er schuilt melancholie in, zeker, en levenswijsheid en eerlijkheid, tezamen leidend tot de weinig modieuze aanbeveling dat het verstandig is tevreden te zijn met wat je hebt.

Om zulke per gedicht wisselende mengverhoudingen van allerlei tegenstrijdige gevoelens gaat het bij Korteweg. Een oordeel erover lijkt mij dan ook vooral een kwestie van affiniteit en van de juiste geadresseerde. In handen is wat men schrijft op een brief die persoonlijk overhandigd moet worden. Kortewegs gedichten mogen er ieder voor zich wat achteloos en rafelig uitzien, bij elkaar getuigen ze van een houding die mij wel ontroerde. Brieven over de eigen twijfel en onzekerheid, eerlijk en zonder enige vorm van grootspraak.