Pienter schaap

De schapen waarvoor Maarten 't Hart moet zorgen, en die volgens hem het 'ongeëvenaarde toppunt van domheid onder de zoogdieren' vormen, zijn niet dezelfde schapen die twintig eeuwen geleden leefden, en die de schrijvers van de bijbel voor ogen hadden toen ze dit schepsel gebruikten als metafoor om de gelovige mee aan te duiden (CS 6-2).

De schapen waarop 't Hart duidt zijn ongetwijfeld Texelaars, of daaraan nauw verwant. Dat is een onbeholpen, kortpotig, zwaarbewold, extreem vleestypisch ras dat de laatste honderdvijftig jaar ontwikkeld is. De natuurlijke Texelaar was een rank gebouwd, hoogbenig, kortwollig, melktypisch schaap, dat slim en handig genoeg was om op eigen kracht uit een sloot te klauteren, in tegenstelling tot de huidige Texelaar. Ook in bijbelse tijden was een schaap een dier dat zichzelf uitstekend kon redden, met weinig wol, zoals de moeflon. In Europa bestaat nog één cultuurschapenras dat niet geschoren hoeft te worden en wat dat betreft op het bijbelse schaap lijkt: de Britse Wiltshire Horn. Volgens mijn collega-fokker, die in een slotenlandschap woont, kunnen zijn schapen zwemmen. Hoe terecht schaapachtig de literator Maarten 't Hart de schapenmetafoor in de bijbel ook moge vinden, bij mij in het weiland kan de bioloog Maarten 't Hart zien wat voor soort schaap de auteurs van de bijbel voor ogen stond.