'Okéééjjj jongens, okéééjjj....'

Iemand, ik vermoed Joop van den Ende zelf, moet tegen Caroline Tensen gezegd hebben: wees een vlotte, toffe meid, beweeg de heupen, zowel voor- als achterwaarts, soms zelfs zijwaarts, laat regelmatig de wijsvinger priemen, kijk schalks in de camera en roep om de twee seconden tegen het publiek: “Okéééjjj...”

Het resultaat is sinds kort elke donderdagavond te zien bij RTL 4 in het programma B.O.T.S., welke afkorting staat voor de pretentieuze woorden 'Battle of the Sexes'. Een spelprogramma van twee ploegjes van mannen en vrouwen met de wederzijdse vooroordelen als inzet.

Het idee doet, zoals gebruikelijk, verder niet terzake, want het gaat bij zulke programma's in de eerste plaats om de uitvoering.

We zien op de tribunes een uitzinnige menigte, die - opgefokt door nerveuze floormanagers en beukende dansmuziek - voortdurend zogenaamd spontaan in yells en gezang uitbarst, terwijl de ploegen hun spelletjes spelen.

De ploegen worden aangevoerd door twee bekende Nederlanders - type Patty Brard - die zich evenals het publiek gedragen alsof ze jeukkruid in hun onderbroek hebben (Brard schijnt daarmee zelfs geboren te zijn). Het is de bedoeling dat zij af en toe iets leuks zeggen, nee, schreeuwen, maar omdat bekende Nederlanders niet altijd humoristische Nederlanders zijn, mislukt dat nog wel eens.

Iedereen hijgt, stampt, zweet en sjeekt. Kortom, een dolle boel.

Als er tussen de dreunende drumbeats even een verbale stilte dreigt te vallen, krijst Tensen haastig: “Okéééjjj jongens, okéééjjj jongens, ik wil die ene yell horen. Wie zijn er beter? Okéééjjj...”

Het duurt een vol uur.

Aan het einde ervan waan je je een verpleger in een gekkenhuis, die tijdens zijn nachtdienst tot de ontdekking komt dat de patiënten van de gesloten afdeling lsd hebben ingenomen. Ben je een tikkeltje zwaarder op de hand, dan voel je je een gehersenspoelde krijgsgevangene in een vergeten concentratiekamp van Pol Pot.

Wat hoor je nu weer?

Iemand laat de naam Montignac vallen. Zelfs op die met volwassen kinderen gevulde tribunes schijnen ze te weten wie dat is. En daar rolt de yell al door de rijen: “Mon-tien-jak! Mon-tien-jak!” Tensen geniet, ze reageert althans met een tevreden: “Okéééjjj...”

Na zo'n ingrijpende ervaring zal de argeloze kijker een beetje verdwaasd door de rest van de avond sukkelen. Niets smaakt hem meer. Hij zapt, tot overmaat van ramp, naar Veronica waar John de Mol, die befaamde collega van Van den Ende, een nieuwe Nederlandse dramaserie is begonnen: Combat. Dertien delen - toe maar.

Bij het Endemol-imperium zijn ze nu eenmaal niet voor één gat te vangen. Spelshows, praatprogramma's, dramaseries - het wordt per strekkende meter aan de opdrachtgever verkocht. Nee, geen informatieve programma's, stel je voor - die zijn alleen interessant voor die elitaire klootzakken van tv-critici.

Dat Combat heeft John de Mol in overleg en met steun van De Koninklijke Landmacht gemaakt. Ze schijnen daar bij Defensie een aantal top-dramaturgen te hebben zitten die sinds Srebrenica de smaak te pakken hebben. Onder aanvoering van minister Voorhoeve zélf worden in de Haagse overlegbunker aangrijpende scènes ingestudeerd.

“Dan ben jij Mladic...

“En dan doe ik Karremans...”

Joris staat tussen de schuifdeuren en ziet dat het weer goed afloopt. Want Nederlandse soldaten gaan nooit dood. De minister gebaart naar uitvoerder John de Mol. Hem is opgevallen dat die zogenaamde soldaten wel heel erg krukkig acteren en dat de dialogen klinken alsof ze door het Zuid-Afrikaanse dienstmeisje van John de Mol in een onbewaakt moment zijn verzonnen.

De minister kucht. “Ik denk dat ik zelf maar eens...” De Mol steekt verheugd zijn wijsvinger omhoog: “Okéééjjjj...”