Met excuses aan het straatmeubilair

Vincent Bijlo: Het instituut. De Arbeiderspers, 136 blz. ƒ 29,90

Op de kaft staat in brailleschrift niet de titel van het boek, Het instituut, maar het volgende geschreven: kut kut lul lul kut lul lul kut kut. Het zijn de woorden die het jongetje Otto Iking bij wijze van demonstratie schrijft op zijn 'piegt' (brailleschrijfmachine) als de Surinaamse president Ferrier en prinses Margriet een bezoek brengen aan het blindeninstituut.

'Ik heb geschreven dat ik het erg fijn vind dat u hier bent', zegt Otto. Het hoge bezoek gelooft hem, omdat ze zijn schrift niet kunnen lezen. En ook wij als blindvingerige lezers weten niet wat er op de kaft geschreven staat. Dit grapje maakt duidelijk dat, zoals blinden verstoken zijn van de zichtbare wereld, er ook voor zienden een verborgen gebied is: de wereld zoals die ervaren wordt door een blinde.

In het romandebuut van de 32-jarige cabaretier Vincent Bijlo wordt die wereld een stuk dichterbij gebracht. Consequent wordt het leven op het Koninklijk Instituut tot Onderwijs van Blinden vanuit het perspectief van het blinde jongetje Otto beschreven, wat zeggen wil dat alleen de indrukken van de vier resterende zintuigen een rol spelen.

Al heeft de auteur ze zelf niet gezien, het boek roept toch sterke beelden op. Dat komt door de kracht van het proza: afgebeten zinnen, passend bij de woede en onzekerheid van het jongetje. De stijl is een geslaagd vehikel voor de absurde humor, die voortdurend als een soort overlevingsstrategie wordt ingezet. Zo beschrijft hij hoe hij leert lopen met een blindenstok: 'Echt gevaarlijk was het niet om door een nieuwbouwwijk van Bussum te lopen, je kon hoogstens vermorzeld worden door een kinderfiets of tot friet gesneden door een winkelwagentje. Meer kon er echt niet gebeuren, en toch was ik bang. Bang om zwaaiend met zo'n rare paal voor lul over straat te lopen. Ik zei altijd maar sorry. (-) Nog nooit heeft iemand zich tegenover straatmeubilair zo verontschuldigd als ik. Ik excuseerde me tegen bomen als ik ze geslagen had met mijn stok. Ik praatte al veel eerder met bomen dan prinses Irene.'

Otto en zijn vriendje Harm, die glazen ogen heeft, voelen zich de enige normale blinden. Ze proberen elkaar af te troeven in het pesten van de andere kinderen. De slechtziende Edwin ('Edwin zag nog wat. Waarom wist niemand') die iedereen tegen de schenen schopt is hun grootste vijand. Hij steelt de ogen van Harm en zorgt ervoor dat Otto de schuld krijgt. Ook de leraren kan Otto niet lijden, behalve de blinde muziekleraar Wachter, die soms in de les een plaat van cabaretier Fons Jansen draait.

Het onderwijs dat de kinderen krijgen lijkt nauwelijks te beantwoorden aan het gestelde doel: ze moeten worden 'klaargestoomd voor de wereld'. ('Niet voor deze wereld, daar ben ik nu wel achter.') Met zelfstandigheidstraining moet Otto bijvoorbeeld ranja uit een soepbord lepelen. Of hij krijgt seksuele voorlichting met behulp van Oost-Duitse geslachtsdelen van rubber. Zijn kennis past hij toe op zijn vriendinnetje Sonja, en concludeert: 'Ze had ook een Oost-Duitse'.

Otto trekt zich 's avonds terug in de slaapzaal en maakt zijn eigen radioprogramma, de Ottoshow. Hij wordt ontdekt door de Avro-radio, en mag een jeugdprogramma presenteren. Maar hij is niet gelukkig: zijn ouders beloven hem dat hij weer bij hen mag komen wonen en dan naar de ziendenschool kan gaan, maar ze laten hem tenslotte toch in de steek.

Het instituut is geschreven met veel zelfspot, zonder zelfmedelijden. Het boek maakt wel de indruk dat het geschreven is om een rekening te vereffenen. Niet voor niets fantaseert Otto een paar keer dat het instituut in vlammen zal opgaan. Maar de humor en de taalbeheersing van de schrijver tillen het boek ver boven een particuliere wraakoefening uit.