Marshall McLuhan: Understanding Media, 1964.

Marshal McLuhan: Understanding Media. The Extensions of Man. McGraw-Hill, 1964 365 blz.

In 1967 schamperde Harry Mulisch in De Gids dat 'in sommige hoofden de reclame-filosoof Marshall McLuhan al aardig bezig is Teilhard de Chardin te verdringen'. In dat jaar had de Canadese massa-psycholoog net The Medium is the Message gepubliceerd, een collage van tekst en beeld die de les van zijn eerder boeken nu eens langs een andere weg aan de man probeerde te brengen. Want dat was Mulisch vooral opgevallen: dat de profeet van de elektronische tegen-cultuur zijn verhaal in dikke boeken deed. Ook dat jaar verscheen mijn vertaling van McLuhans hoofdwerk Understanding Media, in het Nederlands Mens en media. Die vertaling had mij, eerstejaars sociologie, flinke hoofdpijn bezorgd, niet vanwege het zuurstofgebrek dat de student overviel onder het volgen van de lange en fijnvertakte redeneringen van Talcott Parsons en Karl Marx, maar door de geëxalteerde stijl van de schrijver.

Ogenschijnlijk is het boek in twee delen verdeeld. Het eerste onderzoekt de algemene effecten van technologie op mens en maatschappij, het tweede de bijzondere uitwerking van wegen, drukkunst, uurwerken, auto's, telefoon, film, radio en nog twintig andere media. Maar zomin als er in de eerste zeven hoofdstukken een theoretisch raamwerk wordt ontworpen, wordt er in de laatste zesentwintig een historische ontwikkeling van de technologie uit de doeken gedaan. Het hele boek door wisselen krantekoppen, faits divers, reclameteksten, citaten uit Toynbee, Canetti en Shakespeare, wisecracks en one-liners elkaar af, soms ondersteund door iets wat op een argumentatie lijkt. Maar uit die beweringen, die met de kracht van kanonschoten gedaan worden, maakte ik op dat mijn hoofdpijn voortsproot uit verknochtheid aan een ten dode opgeschreven 'lineaire Gutenbergse typografie en logica'. Ons stond een pijnlijke cultuurschok te wachten nu de wereld in een electronisch dorp veranderde dankzij de televisie en de automatisering. Gaandeweg de vertaling staakte ik het zoeken naar uitgangspunten, bewijslast, en argumentatielijnen. Maar helemaal wennen deden de 'de Gutenberg-mens', 'de stam-mens', 'de lineair typografische mens', en 'de geïnvolveerde mens' nooit. 'De meedogenloze herhalingen in het proza van van McLuhan bezorgen de lezer het gevoel te luisteren naar een dove die zijn auto start, en niet merkt dat de motor al loopt' schreef Leopold de Buch naar aanleiding van de vertaling in Vrij Nederland.

De boodschap, die in Understanding Media op willekeurig elke derde bladzijde te vinden is, komt hierop neer: het technisch instrumentarium vormt de uitbreiding van onze zintuiglijke uitrusting en bewaart van die origine altijd de eigenschappen. Kunstmatige uitbreidingen van het oog - en daaronder verstaat McLuhan in het bijzonder wát in ogenschouw wordt genomen, zoals de drukkunst en de film - hebben een hoge mate van precisie die de lezer of kijker weinig inbreng laat. Andere zintuigen en hun uitbreiding, zoals het oor en de telefoon, zijn onbepaalder en laten de toehoorder meer in- en aanvullen dan die 'high definition media'. De laatste zetten mensen op scherp. Instrumenten als telefoon en televisie nodigen daarentegen uit tot weerklank. De indeling van wielen, wegen, advertenties, schrijfmachines, kleren en klokken naar de criteria van afstandelijkheid of betrokkenheid is in het boek lang niet altijd even duidelijk of consequent. Sommige media zijn de kruising van afstandelijke en geïnvolveerde techniek - de krant bijvoorbeeld is product van typografie en telegrafie - en vertonen dus naar believen de eigenaardigheden van beide.

Maar het twijfelachtige onderscheid tussen al die gereedschappen en technieken, gemakshalve media genoemd, verbleekt bij die ene grote technologische tegenstelling die sinds enige tijd de geesten verwart: de overvleugeling van de geletterde bureaucratie door de elektronische media. Ofwel: distantie versus engagement. De televisie, die McLuhan wegens haar braille-achtige beeld niet bij de visuele media indeelt, had aan de 'harde' vormen van onderwijs, reclame, amusement en nieuwsgaring al een gevoelige klap toegediend. De automatisering zal nu, via representatie en delegatie, een einde maken aan het politieke bestuur. Het woord is aan 'grassroot-democracy'.

De drukkunst, een 'heet' medium, had volgens McLuhan geleid tot verhitte nationale en godsdienstoorlogen. Het lineaire perspectief dat samen met de typografie opkwam had de samenleving versplinterd. McLuhan geeft toe dat ook democratisering en gelijkheid het gevolg zijn geweest van de geletterdheid, maar hij steekt zijn voorkeur voor de smeuiige warboel van de middeleeuwen, of wat hij daaronder verstaat, niet onder stoelen of banken. De onderlinge betrokkenheid en de zelfvoorziening van die dagen keren nu terug. Electronica, zoals telegraaf en telefoon, verkort de gezagslijnen en laat iedereen zijn zegje doen. De automatisering slecht de scheidslijnen tussen specialisten, tussen maatschappelijke klassen, tussen bestuurders en bestuurden. De werkloosheid, die iedereen nu nog vreest, zal verkeren in het rondzingen van informatie in eindeloze netwerken.

Aan de knoppen van die nieuwe wereld zullen veeleer kunstenaars dan ingenieurs staan. Want artiesten bezitten volgens McLuhan de mediamieke gaven die nodig zijn om oude patronen te verbreken en nieuwe arrangementen te voorspellen. Kunstenaars en kinderen hebben de onbevangenheid en het inlevingsvermogen waar de elektronische media om vragen.

Deze notie van kunst en kind als begaafde onschuld is een romantisch cliché. Maar in de jaren zestig kon de wereld zo lijken. Toen de vertaler moest neerschrijven dat 'onze kinderen de consumentenmoraal verwerpen', knikte hij ijverig. Provo en Woodstock gaven niet alleen de kids maar de hele wereld even het idee dat de tijden veranderden. In 1967 dachten vriend en vijand dat deze Amerikaanse praatjesmaker de 'Umwertung aller Werte' drie jaar eerder dan alle sociologen had voelen aankomen. De ontnuchtering kwam echter snel. Er vielen doden op en achter de pop-podia. Binnen tien jaar zou de beweging ontbinden in bloeddorstige radikalinski's en hebzuchtige yuppen.

Achteraf is de verleiding groot Understanding Media op één hoop te gooien met het opgewonden gekwaak van Allen Ginsberg en Simon Vinkenoog. Op de keper beschouwd deugt er bijvoorbeeld weinig van McLuhans losse opmerkingen over de natuurwetenschappelijke ontwikkeling. Gemakzucht en bevlogenheid nemen de plaats in van onderzoek en oordeel. Men leze er de passages over differentiaalrekening en speltheorie op na, mathematische verschijnselen die zich slecht lieten onderbrengen in zijn eschatologische conflict tussen letter en impuls. Als hij Thomas Kuhns The Structure of Scientific Revolutions (1962) had gelezen, had hij zijn Willy Wortel-achtige idee dat techniek en uitvinding 'in de lucht zitten' en er dan uit komen vallen misschien laten varen en wat meer belangstelling getoond voor de theoretische inspanningen die de technologie leven inblazen.

Maar toch, ondanks de animistische en anti-intellectuele houding zat McLuhan er dichtbij met zijn voorgevoel dat het dagelijks leven door tv en automatisering volledig gepenetreerd zou worden. Dat elektronica in weerwil van alle gezond verstand en goede smaak een levenstijl, zo niet dé levensstijl, zou worden, dat zag hij eerder dan een ander. Het 'werelddorp' is hij ons nog schuldig. Maar de elektronische snelweg is er al.