M-O moet Koude Oorlog niet overdoen

Op 5 maart 1970 trad het verdrag tegen verspreiding van kernwapens in werking. Een van de ondertekenaars was Irak - waarmee dat land zich onderwierp aan het verbod van gebruik, bezit, productie, ontwikkeling en verwerving van kernwapens. Ruim elf jaar later vernietigden Israelische bommenwerpers in de buurt van Bagdad de Osiraq-kernreactor.

Israel beschouwde de installatie als een vitaal onderdeel van een programma voor de ontwikkeling van kernwapens - waardoor het zich regelrecht bedreigd achtte. De wereld reageerde kritisch op de aanval. Maar tijdens de internationale inspecties die Irak in 1991 na de verloren Golfoorlog waren opgelegd, bleek dat dit land een eindweegs was gevorderd op de weg naar de status van kernwapenstaat. De Internationale Organisatie voor Atoomenergie, een VN-bureau belast met de controle op de naleving van het non-proliferatieverdrag, waren Iraks activiteiten ontgaan.

Naast het nucleaire project had Irak zich ook het vermogen verschaft chemische en biologische wapens te vervaardigen, cynisch wel het kernwapen van de armen genoemd. Strijdgassen had het ingezet tegen de Koerdische minderheid en tegen Iran. Bij de ontwikkeling van massavernietigingswapens had het regime in Bagdad ruim gebruikgemaakt van leveranties en kennis uit de Sovjet-Unie en uit tal van Westerse landen. Naderhand werd deze transfer vergoelijkt met een verwijzing naar de benarde positie waarin Irak tijdens zijn jarenlange conflict met Iran was geraakt. Irak was in die oorlog weliswaar de agressor geweest, maar het veronderstelde risico van het Iraanse islamitische fundamentalisme had internationaal de doorslag gegeven. Uit deze oorlog kwam een andere oorlog voort. In de zomer van 1990 besloot Saddam Hussein zich de rijkdommen van het buurland Koeweit toe te eigenen om daarmee zijn lege staatskas te vullen. Zijn berekening moet zijn geweest dat de wereld ook met deze agressieve daad zou kunnen leven, zoals eerder met zijn onuitgelokte aanval op Iran het geval was geweest. Die berekening bleek niet te kloppen. Een militaire alliantie verdreef zeven maanden later Saddams troepen uit het emiraat en beval Irak zijn arsenalen onder internationaal toezicht te liquideren. In plaats van een bezetting werden aan Irak sancties opgelegd voor de tijd dat niet aan de opdracht was voldaan.

Onder internationaal toezicht zijn in Irak meer massavernietigingswapens vernietigd dan tijdens de luchtoorlog die de alliantie begin 1991 ontketende. Het VN-project is succesvol geweest. Maar het succes moest worden behaald tegen hardnekkige tegenwerking van de Iraakse autoriteiten in. Die tegenwerking bereikte vorig jaar een hoogtepunt. De inspecteurs waren overtuigd dat hun de toegang werd ontzegd tot de gevaarlijkste onderdelen van Saddams bewapeningsprogramma. En als zij al tot verdachte locaties werden toegelaten, gebeurde dat met vertraging, waardoor het verrassingselement verloren ging. Het regime beweerde bovendien dat het hier om presidentiële paleizen ging en dat niet iedereen daar maar kon worden binnengelaten.

Dit is de situatie van het moment. De Amerikanen willen de verdachte locaties vanuit de lucht bestoken totdat (het grootste deel van) Saddams resterende arsenaal zal zijn vernietigd. Andere landen, Rusland en Frankrijk voorop, geven de voorkeur aan diplomatieke overreding. Zij wijzen erop dat luchtoperaties ook in 1991 niet het gewenste resultaat hebben opgeleverd, en dat onschuldige burgers het slachtoffer dreigen te worden. In Amerika zelf bestaat twijfel over wat er moet gebeuren als na een bombardementscampagne Saddam toch nog aan de macht is, verdere inspecties verbiedt en de aanmaak van massavernietigingswapens hervat. De bestaande impasse zou dan slechts zijn geëscaleerd.

De keuze is intussen niet tussen riskant en veilig. Wanneer er met Saddam een of andere overeenkomst zou worden bereikt, zou in wezen de status quo ante worden hersteld die opnieuw internationaal toezicht, sancties en voortdurende militaire aanwezigheid in de Golf vereist. Al was het maar om de druk te handhaven die nodig is om Irak ononderbroken aan zijn verplichtingen te herinneren en te houden.

De ervaringen met Saddam reiken verder dan Irak alleen. De verdragen en conventies die inmiddels zijn gesloten om de gevaren van massavernietigingswapens in te tomen, zijn het resultaat van strategieën die tijdens de Koude Oorlog zijn ontwikkeld. De supermogendheden van die periode hadden één belang gemeen: hun gezamenlijke machtsmonopolie te handhaven. Daarin zijn zij niet geslaagd. Tal van landen hebben zich van massavernietigingswapens voorzien. (Voorzover bekend heeft er slechts één vrijwillig weer afstand van gedaan: Zuid-Afrika.) De bewapeningsrace op het tweede plan is na het einde van de Koude Oorlog nog versneld. Israel, Iran, Pakistan en Noord-Korea worden naast Irak verdacht van het bezit en de verdere ontplooiing van dergelijke arsenalen. Dit rijtje is niet uitputtend. India bijvoorbeeld heeft ooit een atoomexplosie ontketend.

Een alternatief voor internationaal gecontroleerde wapenbeheersing zou de strategie kunnen zijn die de grote mogendheden tijdens de Koude Oorlog tegenover elkaar ontwikkelden, die van de wederzijds verzekerde afschrikking: de eigen kernmacht had het vermogen een aanval met atoomwapens te doorstaan en vervolgens de aanvaller te vernietigen. Maar om de strategie succesvol te laten zijn waren leiders nodig die inzagen dat het atoomwapen het risico van een hete oorlog onaanvaardbaar had gemaakt. Israel toonde in 1981 niet met zijn veiligheid te willen gokken. Het ging over tot preventieve actie. Toen nog beperkt.

Het Midden-Oosten lijkt ongeschikt voor een eigen versie van de Koude Oorlog. De oorlogen die daar in de afgelopen decennia zijn gevoerd waren allesbehalve koud. Het onderlinge wantrouwen is groot evenals de bereidheid tot riskant gedrag, zoals meermalen is gebleken. Massavernietigingswapens zijn hier in het verleden gebruikt om massa's te vernietigen. Dat betekent dat de regio niet zonder internationale bemoeienis en internationaal toezicht kan. De gang van zaken op zijn beloop laten leidt naar een toestand die als gevolg van de al jarenlang volgehouden bewapeningswedloop in een catastrofe eindigt. Dat is het eigenlijke dilemma waarvoor de Veiligheidsraad van de VN staat wanneer de raad zijn opdracht aan Irak wil zien nagekomen.