Lopen in het luchtledige; Fototentoonstelling toont vliegvelden als utopieën

Voor sommige filosofen illustreren vliegvelden het idee van een 'centrumloze postmoderne cultuur' - één groot niemandsland waar de reiziger met zijn bagagekarretje ronddwaalt. Op een fototentoon- stelling in Rotterdam is de menselijke kant van het vliegveld te zien. “Doodsangst disciplineert.”

Airport. De verbeelding van het vliegveld in de fotografie. Nederlands Foto Instituut, Witte de Withstraat 63, Rotterdam. Tot en met 15 maart. Catalogus: The most important new buildings of the twentieth century. Uitg. The Photographer's Gallery.

Het gebeurde op een United Airlines-vlucht van Buenos Aires naar Boston, voorjaar 1996. Na zijn zoveelste belastingsvrije whisky sloegen de stoppen bij de 52-jarige bankier door, uit ergernis, verveling en dronkenschap. Razend en tierend waggelde hij door het gangpad, terwijl om hem heen een poolzee van angstige gezichten dichtvroor. Uiteindelijk raakte de financiële man zo buiten zinnen dat hij op een servicekar klom, om te poepen. Met vereende krachten kon de cabin crew hem overmeesteren. Bij aankomst in Boston werd hij ingesloten en veroordeeld tot 49.000 dollar boete.

Het was een schokkend bericht. Niet alleen door het obscene karakter van het vergrijp, maar ook omdat reizen per vliegtuig tot dan toe leek te ontsnappen aan de vulgarisering en verruwing die andere vormen van openbaar vervoer al onherstelbaar hebben aangetast. Waar brengen volwassenen het nog op om urenlang met hun armen over elkaar stil te zitten, behalve in een vliegtuig en op death row? Opgesloten in een metalen rollade op 35.000 voet tonen mensen nog de zelfbeheersing die ooit vanzelf sprak in andere collectieven als een schoolklas of een leger.

De eenvoudigste verklaring voor zulk beheerst gedrag op grote hoogte is natuurlijk dat een vliegtuig nu eenmaal vliegt. Doodsangst disciplineert. De repercussies van een massale contact high tussen één op hol geslagen rebel en de rest van de aanwezigen, zoals die zich wel voordoet in een klaslokaal, kunnen op tien kilometer hoogte een stuk ernstiger zijn dan een middag van school gestuurd worden. Hoe groter het risico, hoe sterker het menselijk vermogen tot zelfbeheersing.

Maar dat kan niet het hele verhaal zijn. Je zou dan immers verwachten dat op elke vlucht de rampenfilm Airport wordt vertoond, of een andere ode aan botsplinters en bloed, om de schrik erin te houden. Het omgekeerde is waar: alles aan boord van een vliegtuig, van de parelende glimlach van de crew tot het kinderbestek bij de lunch, is er juist op gericht de menselijke antenne voor gevaar te kortwieken. De luchtreiziger dient gelukzalig voor zich uit te staren, in een combinatie van lijkstijfheid en lobotomie.

Waarom laat hij zich dat, doorgaans, welgevallen? Een antwoord is te vinden op de expositie Airport in het Nederlands Foto Instituut, die eerder werd ingericht in de Londense Photographer's Gallery. Hier wordt het vertrekpunt van de vliegreis, de luchthaven, verbeeld als de 'gerealiseerde utopie' van een technologische beschaving: een abstracte, centrumloze ruimte waar personen en goederen onophoudelijk circuleren. Vliegvelden, schrijven Steven Bode en Jeremy Miller in de catalogus bij Airport, 'realiseren onze eeuwenoude droom van snelheid en mobiliteit, van het samenbrengen van mensen uit alle naties en, in hun helverlichte winkelpromenades, de kapitalistische illusie van een aards consumentenparadijs'.

Polsslag

Vandaar dat de luchtreiziger zo'n contemplatieve verschijning is, en een beduidend lagere polsslag moet hebben dan de ouderwetse tram- of treinreiziger, die veel meer verbonden blijft met de echte wereld, vol butsen en deuken. Wie eenmaal door de douane heen is, betreedt een abstracte ruimte, en wordt onttrokken aan de tijdruimtelijke coördinaten van zijn alledaagse leven. Hij valt in een luchtledige dat wordt gevuld met dwell time, het suffig ronddwalen met een bagagekar. De reiziger waant zich al half in de hemel - en is dus onschadelijk. Let wel, dat is iets anders dan de gefantaseerde onschuld van virtual reality: daarin verlies je je om te pingpongen met pinguïns, basketbal te spelen met Tibetaanse monniken of te snorkelen met Pamela Anderson, maar niet om niets te doen. De reële abstractie van een vliegveld is vreemder dan het concrete bedrog van een virtuele wereld.

Zulke noties van de luchthaven als knooppunten van een postmoderne cultuur zijn ontleend aan Michel Foucault, Jean Baudrillard en andere Franse filosofen, al sinds de jaren zestig sterk in trek onder kunstenaars. Een overstap-vliegveld, oftewel hub, is een illustratie van hun 'ontheemde' en centrumloze postmoderne cultuur, net als andere circulatiesystemen zoals de glasvezelkabels van Internet en de free ways van Los Angeles. Bode en Miller verwijzen in de catalogus bij Airport naar het begrip heterotopie van Foucault. In 'Des espaces autres' (1967) omschreef Foucault heterotopieën als non-plaatsen die 'aan de buitenkant van alle plaatsen liggen, al is het mogelijk hun locatie in de werkelijkheid aan te geven.' Zoals vliegvelden, die toegang bieden tot alle plaatsen, maar zelf 'nergens' zijn.

Veel foto's op Airport, van Engelse, Amerikaanse en Nederlandse fotografen, zijn doordrenkt van het besef dat de luchthaven een abstracte plek is. Geen klassieke stad, maar een kunstmatige 'non-plaats'. Geen New York, maar Los Angeles. Vooral de Amerikanen Martha Rosler en Peter Tolkin en de Nederlander Jannes Linders tonen die 'heterotopische' kant van de luchthaven. Rosler maakt foto's van eindeloze gangen en anonieme ruimtes, becommentarieerd met mediamieke slogans als Infinite deferral, blind turns, vagina or birth-canal, white-noise hiss. Tolkin brengt, commentaarloos, de voedselketen in beeld die achter luchthaven-catering schuilgaat. Uit Jannes Linders' spectaculaire panorama's van de vertrekhal van Schiphol stijgt het mobiliserende gejoel en gebrul van Torremolinos-gangers op.

Rondsuizen

In Roslers werk zijn filosofen als Foucault en Jacques Derrida nadrukkelijk, zelfs al te nadrukkelijk aanwezig. Door haar lens wordt het vliegveld een 'tekst', een netwerk van tekens met eindeloze verwijzingen, zonder vaste kern of eindpunt, waar je eeuwig in kunt blijven rondsuizen. Slurf in, slurf uit, nooit meer ergens aankomen, en opgaan in een zee van dwell time. In de buurt van die postmoderne fantasie komen de lotgevallen van een onlangs op televisie geportretteerde, vermoedelijk Iraanse, vluchteling die al een jaar of zeven bivakkeert in het niemandsland tussen slurf en douane op de Parijse luchthaven Charles de Gaulle. Hij kwam aan zonder identiteit, en kon dus ook niet worden teruggestuurd. Sindsdien leeft hij in de vertrekhal. Het personeel van de tax free shops voorziet hem van voedsel, af en toe komt een organisatie voor vluchtelingen poolshoogte nemen. De man is de eerste volwaardige luchthaven-nomade. Niemand weet wie hij is, en langzamerhand begint hij het waarschijnlijk ook zelf te vergeten.

Peter Tolkin - een jonge Amerikaan die in Londen niet was vertegenwoordigd en in de catalogus ontbreekt - werkt veel lichtvoetiger dan Rosler, maar ook hij probeert een verborgen wereld aan het licht te brengen. Zijn serie 'Airport Food' volgt de lange en complexe voedselketen van de Marriot luchthaven-catering, van kippenfarm tot lunchplateau in de Prestige Class. Het zijn afstandelijke, stille opnames, met een vederlichte ironische ondertoon. Lange rijen voedselplateau's, Mexicaanse arbeiders, vrachtwagenschauffeurs, bewakingspersoneel, meloenschijven, een dood varken.

Behalve van Derrida en Foucault horen we hier oudere echo's, bijvoorbeeld van de deze week overleden schrijver en cultuurcriticus Ernst Jünger en zijn idee van de 'totale mobilisering' waaraan de moderne wereld wordt onderworpen. Om dat proces te illustreren maken Jünger-adepten graag gebruik van de retorische omkering: niet wij gebruiken de catering om ons te voeden, de catering gebruikt ons om voedsel te verwerken. Niet wij gebruiken het transportsysteem, het systeem gebruikt ons om de vliegtuigen te vullen. Wie langs Tolkins serie loopt, voelt dat inzicht langzaam doordringen - al werkt het in deze Amerikaanse opnames eerder prettig duizelingwekkend dan Duits onheilspellend.

Uit een veel onschuldiger tijdperk stammen de foto's van de Nederlandse veteranen Frits Rotgans en Jan Versnel, en van de beroemde Amerikaan Gary Winogrand. Zij concentreren zich op de esthetiek van de luchthaven, de gestroomlijnde dynamiek, en de menselijke touch voor of achter de schermen. De Nederlandse fotografie ademt de wederopbouw-romantiek van Schiphol in de jaren veertig, zoals in Versnels beeld van een op de rug gefotografeerd gezin dat een opstijgend toestel gadeslaat. Voor Nederlanders in de jaren veertig lijkt de luchthaven wat voor de Amerikanen de frontier is: de belofte van een nieuw begin, in een ver land.

Nooduitgang

De menselijke, optimistische visie van Versnel en Rotgans staat mijlenver af van Martha Roslers abstracte fotografie, maar keert terug in de serie die Ad van Denderen maakte van asielzoekers op Schiphol. Voor deze vluchtelingen is de luchthaven geen frontier, maar eerder een nooduitgang, en Van Denderen heeft hun pogingen de deur open te krijgen respectvol in beeld gebracht. Hij biedt zo niet alleen een stilistisch vervolg op het werk van Versnel, maar ook een interessant contrast: de humaniserende blik van de fotograaf heeft zich verplaatst van de modelgezinnetjes van weleer - nu opgegaan in de Torremolinos-massa - naar vluchtelingen en asielzoekers, de korreltjes zand in het raderwerk.

Misschien hebben die de toekomst. Want op de expositie in Rotterdam bekruipt je toch het gevoel dat de 'filosofische' fotografie van het vliegveld nu wel is uitgeput, terwijl het menselijke, soms ronduit romantische werk van Versnel en Winogrand een halve eeuw later nog aanspreekt. Wordt het soms tijd voor een vliegveldfotografie waarin de massa naar de achtergrond verdwijnt en het individu weer centraal staat? Terwijl de postmoderne fotografen zich met hulp van Foucault en Derrida bogen over de hub, klom een bankier in een Boeing op een service-kar om er zijn behoefte te doen. Schijt aan de gerealiseerde utopie - hier werd de heerschappij over het circulatiekanaal weer opgeëist door een dwars individu.

Wie weet zijn fotografen dus binnenkort uitgekeken op het vliegveld als logistiek systeem, en ontwikkelen ze, zoals Van Denderen, meer oog voor dissidenten en dwarsliggers in het luchtruim. Dan krijgen we misschien nog eens een portrettengalerij te zien van de terroristen die, na tram, bus en trein, ook in de lucht de utopie van een smetteloze circulatie in de war hebben geschopt.