Jonge meisjes doen hem duizelen

Voorstelling: Eros en de eenzame man naar de gelijknamige roman van Louis Paul Boon door KNS. Spel en regie: Tom van Dyck; bewerking: Jan van Dyck; decor: Saskia Louwaard. Gezien 19/2 Cultureel Centrum Maasmechelen. Te zien 20 en 21/2 Toneelschuur, Haarlem (tel: 023-5312439). Tournee t/m 27/3. Inl.: 0032-3-235.04.90.

Een hulpeloze man is hij, de hoofdpersoon uit Boon's laatste boek Eros en de eenzame man (1979), en ook een schandalige man. Tot stikkens toe beheerst door hunkering naar vijftienjarige meisjes, wier kuise, onaantastbare schoonheid hem doet duizelen van begeerte, en ook aanrander van die meisjes.

Een roman vol onbehagen. Acteur Tom van Dyck van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg uit Antwerpen brengt de roman als solovoorstelling op het toneel. Een kaal plankier is zijn speelvloer, een stoel erop, fles bier ernaast. Voordat zijn optreden begint licht langzaam het beeld van een vrouw, op in het duister, gezien op haar rug.

Geen sensationeel naakt, haar pure en ingetogen lichaam. Tom van Dyck houdt zijn relaas in opperste eenvoud. In zijn auberginekleurige pantalon met gerende pijpen, paarsig jasje met een slingermotief en overhemd met puntboorden heeft hij iets weg van Boon in de jaren zeventig.

Toen, bij publicatie, lag de roman gevoelig, want zó als vieze man wilde Vlaanderen niet aan Boon denken; nu, door onthutsende affaires met kinderen zowel in datzelfde Vlaanderen als recentelijk in Wenen, krijgt de monoloog onverhoeds een heftige strekking. Van Dyck's uitbeelding heeft de intensiteit van een oprecht-berouwvolle biecht. Hij geeft een ondertoon van schuldeloosheid aan de drang naar meisjeslichamen; het is alsof het de eenzame, stakkerige man overkomt. Hij kan er niets aan doen, het gaat buiten hem om.

In theatraal opzicht is dit een geraffineerd perspectief. Als toeschouwer ga je met de man mee, je voelt zelfs mededogen, en tegelijk ontwikkelt zich zoiets als verzet. Want het meisje dat hij tot slot wil verkrachten, nadat hij is opgehitst door een ander willig meisje in de bus, is wèl het slachtoffer. Wat we horen is het mannelijke relaas over zijn onvervulde en blinde mannelijke begeerte.

Boon heeft zijn boek toegespitst op dit dilemma, dat hij bij de lezers legt. Van Dyck verschuift het naar de toeschouwers, want wij, voyeuristen in de zaal die naar zijn tedere obsceniteiten luisteren, zijn hoe dan ook geboeid. Boon laat zijn boek voorafgaan door een waarschuwing: “De vraag kwelt me, of deze schandelijke onzedige maar tevens smartelijke biecht van een eenzame door zijn driften vervolgde en opgejaagde man, niet best in het vergeetboek zou opgeborgen worden.”

Het is goed dat Boon dat niet heeft gedaan, en het is goed dat Van Dyck de monoloog op de planken brengt. Hij doet dat integer en zuiver, zonder andere bedoelingen dan het labyrint van verlangens en onzekerheden, van hunkering naar troost en seksuele verlossing, waardoor de man wordt behekst uit te beelden. Eros is een verslavende kracht, die de man eenzaam maakt. Uit elke passage van Boon spreekt deze onheilspellende ontdekking. In Eros en de eenzame man is eerlijkheid in artistiek opzicht het allerbelangrijkste, hoe gevaarlijk ook.