Jenny Diski

Jenny Diski: Skating to Antarctica. Granta, 250 blz. ƒ 30,70

De meeste mensen ondernemen een lange reis uit verlangen naar afwisseling, nieuwe ervaringen, op zoek naar hun roots of zichzelf. Zo niet Jenny Diski. In Skating to Antarctica doet ze verslag van haar reis naar dat werelddeel met maar één doel: eindeloze witte vergetelheid. Haar eerste non-fictieboek is dan ook niet zozeer een reisverhaal als een autobiografisch verslag van haar rampzalige jeugd. Diski weet volkomen aannemelijk te maken dat haar verlangen naar Antarctica daar niet meer dan de logische consequentie van was: 'If I trace it back, that wish for a whiteout began with the idea of being an inmate in a psychiatric hospital (-) White hospital sheets seemed to hold out the promise of what I really wanted: a place of safety, a white oblivion.'

Op de voor haar zo kenmerkende intelligent-laconieke, sardonische toon haalt Diski herinneringen op aan haar zwaar gestoorde, suïcidale moeder, haar al even suïcidale vader, de eindeloze ruzies, de pleeggezinnen, kostscholen, psychiatrische inrichtingen en ziekenhuizen. Die worden afgewisseld met passages over haar boottocht, haar medepassagiers (fanatieke vogelaars), oude ontdekkingsreizigers en het obscene uiterlijk van zeeolifanten, en met bespiegelingen over de onbetrouwbaarheid van herinneringen.

De cruise voldoet niet helemaal aan Diski's verwachtingen. Daarvoor zijn er steeds te veel zoemende camcorders en klikkende fototoestellen om haar heen, te veel verplichte lezingen over ecologie en walvissen, te weinig uitgestrekte witte leegtes. Desalniettemin brengt ze vele uren in innige tevredenheid door in haar Spartaanse, witte scheepshut, met niets dan zee en ijsbergen als uitzicht, en alleen Melville als gezelschap. Hoewel aan het eind van het boek duidelijk is geworden dat Diski zich geen zorgen meer hoeft te maken over haar ouders, beseft ze ook: 'Some things I'll never get away from, not even in the farthest reaches of the South Atlantic.'