Het moeras in de bergen; De Indische nostalgie van Sitor Situmorang

De bijbelcolumns van Maarten 't Hart bezorgen Rudy Kousbroek dezelfde ambivalente nostalgie als het verdwenen Indië. “Misschien is het een vorm van terugverlangen naar een dwaling, maar dan een die onherroepelijk verdwenen is.”

Waarom worden in de Bijbel gelovigen met schapen vergeleken? Schrijf dat de reden de verbazingwekkende domheid van het schaap is en waarachtig, dan zijn er mensen die zich in die schapen herkennen. De ingezonden brieven over de Bijbelcolumn van Maarten 't Hart zijn altijd weer een groot genoegen, vooral als ze proberen uit de hoogte te doen: 'mij deert 't niet, ik sta er boven, maar eigenlijk moest 't verboden worden...'

Daarna gaat het meestal over de vraag waarom 't Hart 'zo nodig' die Bijbelcolumn moet schrijven. Onbegrijpelijk dat de gelovigen zelf nooit op het antwoord komen, dat toch zo eenvoudig is: om hen te sarren.

Overigens is dat toch maar een bijzaak. Voor wie een beetje gevoelig is voor literatuur, zijn die Bijbelcolumns het mooiste dat 't Hart schrijft, met een schitterende ingehouden verontwaardiging en humor, en formuleringen waaraan je meteen voelt dat het inderdaad 'nodig' is: vindingrijk en hartstochtelijk, een woordgebruik waar je poëzie aan herkent.

Van zulke poëzie bestaan wel meer onverwachte vormen. Niet lang geleden sprak ik Hugo Brandt Corstius; ik vroeg hem zo en passant als ik kon wat hij zelf zijn beste werk vindt; ik vermoed dat hij wist wat ik wilde horen, maar in elk geval, hij zei het: De Encyclopedie (Battus, Querido 1978). Ook daarvoor geldt: humoristisch, vindingrijk en hartstochtelijk, een klein poëtisch meesterwerk waarvan in de wereld geen tweede voorbeeld bestaat.

Wat is de sleutel tot deze poëzie? In wezen dezelfde als die tot de Bijbelcolumns van Maarten 't Hart: een nostalgische instelling tegenover de dwaling. Ontvankelijkheid voor het aandoenlijke van de dingen die mensen denken en geloven, voor wat Maarten in de laatste aflevering van zijn column omschreef als 'een vorm van Goddelijke ironie'.

Dat is dus wel iets anders dan de gangbare gedaante van nostalgie: dat is immers verlangen naar een verleden dat beter was, naar een geïdealiseerde wereld 'die eens geweest is en nu niet meer bestaat'. Daarin was nu juist geen sprake van Goddelijke ironie, integendeel, alles was Hem daar Heilige ernst.

Misschien, zo viel mij in, is dat ook de verborgen essentie van de nostalgie die mij het bekendst is, namelijk de Indische. Misschien is dat ook een vorm van terugverlangen naar een dwaling, maar dan een die onherroepelijk verdwenen is; zo is het tenminste voor Indischmensen, voor Hollanders uit Indië.

Dit onderwerp heeft mij vaak beziggehouden, en een vraag die zich daarbij voordoet is: hoe is dat eigenlijk voor Indonesiërs? Bestaat er voor hen ook een vorm van nostalgie en welke gedaante heeft die? Verlangen naar het decor van je kinderjaren moet wel een ander karakter hebben als je er niet uit weg moest en gewoon thuishoort.

Een antwoord op die vraag kreeg ik onverwacht in Parijs, waar ik de Indonesische dichter Sitor Situmorang ontmoette, na vele jaren. Hij gaf me een gedicht in manuscript dat een diepe indruk op mij maakte, zoals ik nu zal proberen te beschrijven.

Wat er onvermijdelijk een zekere rol in speelt is dat ik ben opgegroeid in min of meer dezelfde streek op Sumatra als Sitor Situmorang: de Bataklanden; in de verhalen voorkomend in de bundel De oude tijger, waarover ik hier ongeveer een jaar geleden heb geschreven, komen allerlei details voor - bergen, plaatsen, grasvlaktes, de oevers van het Tobameer - die ik in mijn eigen kinderjaren heb gekend.

In dit (nog ongepubliceerde) gedicht beschrijft Sitor hoe er vroeger in de bergen in zijn geboortestreek een moeras was, waar de wilde eenden kwamen zoeken naar kroos tussen de lotusbloemen. Hij noemt het een hemel, die een herinnering voor later zou zijn, symbool van hoe de wereld in elkaar zat.

Bij zijn omzwervingen dacht hij van tijd tot tijd aan die plek (dit vertelde hij me, het staat niet in het gedicht) en zo kwam hij er toe te informeren bij een vriend van vroeger, die daar nog steeds woont, wat er van het moeras was geworden. Het bleek (zo vervolgt het gedicht) dat het niet meer bestond: het was drooggelegd om er een akker van te maken waarop nu knoflook wordt verbouwd(*).

Toen hij dit bericht hoorde was hij verheugd, het was voor het dorp een gelukkige ontwikkeling: er was een nieuwe bron van welvaart gevonden. Maar tegelijk (aldus het vijfde kwatrijn) had hij een gevoel van verlies; het oriëntatiepunt van zijn herinneringen is verdwenen, verloren het zinnebeeld van zijn vroegste leven, dat daar verborgen lag, hoog in de bergen. Zoals de verjaagde eenden, weggevlogen op zoek naar een nieuw stil moeras in de bergen, zo zal hij misschien ook die hemel terugvinden, als hij zich laat leiden door zijn diepste impulsen.

Ik zag ook een mooie vertaling (eveneens ongepubliceerd) van dit gedicht door Henk Maier, die van mijn bescheiden en feilbare interpretatie hier en daar afwijkt, met name in de laatste strofe (**); wat mij in die strofe telkens weer zo ontroert is het beeld van die verjaagde eenden, zoekend naar een nieuw stil en verscholen moeras: de gedachte dat er, ook als je verjaagd bent, ergens in je diepste roerselen toch zo'n troostende plek moet zijn. De vraag of het hetzelfde verlangen is, dezelfde nostalgie, is daarmee min of meer beantwoord: wat er verder allemaal in die vooroorlogse levens verschillend mag zijn geweest, als je maar diep genoeg graaft kom je terecht bij hetzelfde.

Het gedicht werd vorig jaar geschreven 'op reis tussen Yogyakarta en Solo', en is opgedragen aan W.F. Wertheim, 'voor zijn 90ste verjaardag'. Aan de Wertheim van vroeger, denk ik dan maar, en benijd hem.

Bij dezelfde gelegenheid gaf Sitor mij een exemplaar van een kort geleden verschenen Engelse bloemlezing van zijn gedichten, getiteld To Love, to Wander (vertaald door John H. McGlynn en met een inleiding van Henk Maier, Lontar Foundation, Jakarta 1996). Bijna helemaal aan het eind van deze bundel kwam ik nog zo'n gedicht tegen, in zekere zin nog dichterbij doordat het bij mij herinneringen aan mijn laatste kamp oproept - onverwacht en met een ongenadige kracht. Ook wat dat betreft is er namelijk een zekere overeenkomst: ook Sitor heeft opgesloten gezeten, alleen langer: acht jaar (van 1967 - 1976), en niet als gevangene van de Japanners, maar van het regime van Soeharto (dat nu geloof ik toch eindelijk wankelt).

Het heet 'Bericht aan een vriend' en ik moet mij baseren op de Engelse vertaling, want de bundel geeft niet zoals de Nederlandse bloemlezing Bloem op een rots ook het Indonesisch. Het begint met een droom, ook zo vertrouwd: dat je weer opnieuw gevangen wordt gezet. En iemand die vraagt: wat is het eerste dat je in gedachten komt als je aan je bevrijding denkt?

'Zonder aarzeling antwoord ik: wandelen op een besneeuwde vlakte/ de lucht van het meer ruiken/ de bries voelen bij de baai/ in de vallei/ waar ik werd geboren.'

So far so good, maar dan komt waar ik niet op had gerekend. Wanneer hij werkelijk de poort van de gevangenis uitloopt, gebeurt er iets heel anders:

'Ik wendde mijn ogen naar de zuidelijke hemel/ Zoekend naar de twee toppen in het Preangergebergte:/ de Goenoeng Gedé/ en de Goenoeng Salak/ die ik bij het opstaan altijd aanwezig wist/ zonder falen/ zwevend boven/ de begroeiing en de wolken./ Eeuwig/ voor altijd/ wachtend/ klaar voor het ogenblik/ dat ik van achter die hoge muren/ tevoorschijn zou komen.'

Een ongelofelijke herkenning. 1945. Ik loop de poort van het kamp uit en zie de blauwe bergen van de Boekit Barisan, waar ik elke dag naar heb gekeken, en denk: die vergeet ik mijn hele leven niet meer. Zo is het echt gebeurd.

(*) Of Sitor zich van de ironie bewust was weet ik niet, maar het schijnt dat de handel in knoflook volledig in handen is van tante Tien, de vrouw van president Soeharto.

(**) 'De hemel der eenden, vervlogen, gezwicht,/ is op zoek naar een nieuw moeras, licht en stil/ hij zal het vinden temidden van andere bergen wellicht/ als hij zich op zijn diepste driften verlaten wil'.

Sitor Situmorang (vert. Rudy Kousbroek)

Het moeras van de wilde eenden in de bergen

Er was vroeger een moeras, eenzaam in de bergen, Een heldere poel waar de wilde eenden zwommen, Op zoek naar kroos tussen de lotusbloemen Wortelend tussen het riet half onderwater.

Een hemel om altijd herinnerd te worden Als symbool van de wijde wereld van vroeger, Ver van de grote wegen en steden, Ver van de dagelijkse beslommeringen.

Nu is het weg, het hemelse moeras met de wilde eenden, Het werd drooggelegd om te veranderen In een vruchtbare akker voor de teelt van knoflook, Tonnen tegelijk, elke oogst weer, voor de landbouwers.

Dat bericht vernemend was ik blij te moede; Goed nieuws van daarginds, Voorspoed ten behoeve van mijn armoedige dorp, Het heeft er een bron van inkomsten bij.

Maar ook het gevoel iets verloren te hebben: Verloren de windroos van mijn herinneringen, onherroepelijk, Verloren het vroegere zinnebeeld van mijn leven, Vredig en verborgen in de bergen.

De wilde eenden uit de hemel, verjaagd, weggevlogen, Op zoek naar een nieuw stil moeras; Ze zullen het vinden in andere bergen, misschien, Als ze zich laten leiden door hun diepste instincten.