Hella Haasse tachtig jaar; Wie ben ik? Wat zou ik moeten willen?

Ik zal ongeveer vijftien jaar zijn geweest toen ik voor het eerst een boek van Hella Haasse probeerde te lezen. Op de middelbare school gold zij als een schrijfster met een degelijke reputatie. Aan het lezen van haar boeken viel eer te behalen, maar dan natuurlijk niet aan het dunne Oeroeg.

Uit de lange rij Haasse's in de openbare bibliotheek koos ik De scharlaken stad (1957). Een mooie titel, maar daar bleef het dan ook bij. Ik heb het boek toen niet weten uit te lezen, al is het ook mogelijk dat ik het wel uitlas, maar mij er later eenvoudigweg niets meer van kon herinneren. Het ging de pet van de vijftienjarige die ik was ver te boven.

Saai: dat was het woord dat ik jarenlang voor De scharlaken stad had gereserveerd, bij gebrek aan beter. Pas vele jaren later herlas ik het eindelijk. Of beter: las ik het voor het eerst echt. Wat zich aan mijn vijftienjarige ik had voorgedaan als een duizelingwekkende hoeveelheid gegevens op historisch, pyschologisch, sociologisch, antropologisch en krijgskundig gebied, bleek nu een royaal opgezette, allerminst saaie geschiedenis over de zestiende-eeuwse, vader- en moederloze Giovanni Borgia.

Bij nader inzien was ik onder de indruk van het superieure overzicht van Haasse over deze ingewikkelde materie, van haar onverschrokkenheid in het weergeven van minder smakelijke details en niet in de laatste plaats van de komische intermezzo's tussen de rampen van Borgia's leven door. Ook viel mij nu pas op dat zij in dit historische decor een modern thema behandelt: de hopeloze zoektocht naar een eigen identiteit, waar zonder er geen toekomst is voor de veelgeplaagde hoofdpersoon. Met Borgia loopt het niet goed af, zoals vanaf het begin al te verwachten viel.

Meer hoop en vertrouwen investeerde Haasse in een van de andere romanfiguren, een pauselijk gezant, zekere Francesco Guicciardini, een evenwichtig persoon met het hart en het verstand op de juiste plaats, die in een brief aan Machiavelli onder meer deze wijze boodschap geeft: 'De mens is niet bij machte de loop der dingen te keren, maar hij kan die verschijnselen bestuderen en er lering uit trekken.' Het zou een motto voor Haasse's gehele oeuvre kunnen zijn. Daarin draait het steeds maar weer om 'de mens (...) en zijn verschillende werkelijkheden in de stroom van de tijd', zoals ze haar thema in een van haar essays samenvatte.

Hella Haasse, onlangs tachtig geworden, is een solide auteur die na een al ruim 50-jarig schrijverschap nog altijd door een breed publiek gelezen en gewaardeerd wordt, zoals alleen al mag blijken uit het feit dat in 1997 de 21ste druk verscheen van De scharlaken stad. In haar loopbaan, die in dit opzicht alleen te vergelijken is met die van Harry Mulisch, zitten geen noemenswaardige pieken of dalen, geen breuk zoals bij Reve en Hermans, waar de balans tussen het vroege en het latere werk in de ogen van velen vervaarlijk schommelt.

Natuurlijk kan men van het ene boek meer of juist minder houden dan van het andere, maar dat is meer een kwestie van smaak of literaire mode, dan van objectieve waardeoordelen. Zo wordt Het woud der verwachting (1949) in de secundaire literatuur over Haasse meestal wat zuinigjes gekarakteriseerd als een geromantiseerde biografie over Charles d'Orleans, eerder dan als een volwaardige historische roman. Maar daarbij verwijst men dan toch ook meteen naar het buitenland, naar Frankrijk vooral, waar het boek juichend werd ontvangen toen het na veertig jaar in een Franse vertaling verscheen. Men zag er zelfs aanleiding in de gedichten van de vijftiende-eeuwse dichter en politicus te herdrukken. Ook in Nederland is deze roman, ondanks de gereserveerde ontvangst, nooit echt zoek geraakt, zodat in 1997 de 20ste druk ervan kon verschijnen.

Adel

'Grand Dame' en 'Grand Old Lady', dat zijn de ietwat huiveringwekkende epitheta waarmee haar soliditeit de laatste jaren vaak tot uitdrukking wordt gebracht. Ze zullen eerbiedig bedoeld zijn, maar ik proef in dit soort quasi-adellijke titels toch ook een soort verlangen tot voortijdige bijzetting in de klassiekenkast, alsof ze haar sporen nu wel afdoende verdiend heeft en haar boeken alleen nog met een welwillende glimlach ter hand genomen hoeven te worden. Merkwaardiger is overigens haar uitsluiting van 'de top' (gereserveerd voor 'de grote drie', Hermans, Reve, Mulisch), alsof haar aandeel in de naoorlogse letteren toch ook weer niet al te zeer beschijnwerperd hoefde te worden.

Ongetwijfeld heeft haar afzijdigheid van 'het literaire leven', haar kennelijke afkerigheid ook om zich in literaire polemieken te begeven, zitting te nemen in tijdschriftredacties of ook maar enigszins luidruchtig met haar werk naar buiten te treden, in de Haasse-receptie een rol gespeeld. Evenmin heeft zij ooit in het openbaar blijk gegeven van hoogmoed, achtervolgingswaan, van agressieve oprispingen tegen collega's of de mensheid in het algemeen. Rechtschapenheid hoeft bij schrijvers niet altijd in iemands voordeel te zijn, al heeft Haasse verder natuurlijk niet te mopperen over haar positie.

Er is nooit iets te doen geweest rond Hella Haasse. Zij komt in haar essays en in interviews over als de redelijkheid in eigen persoon, altijd bereid tot een verstandig compromis. Dat zal ook te maken hebben met het feit dat zij, in haar beginjaren vooral, niet alleen schrijver was, maar, zoals zij uiteenzette in haar autobiografische essay Zelfportret als legkaart (1954), het schrijverschap combineerde met haar taken als moeder en huisvrouw - in haar ogen een combinatie van twee werkelijkheden die in belang niet voor elkaar onderdeden en elkaar in het ideale geval aanvulden. Aan de omvang van haar oeuvre (een vijftigtal titels, vertalingen en gelegenheidswerk niet meegerekend) is dat overigens niet af te zien.

Een wijze vrouw kortom, wars van koketterie, eenzelvig, maar ook maatschappelijk geëngageerd. En toch is Haasse niet echt braaf. Wie zich ook maar enigszins verdiept in haar werk ontwaart onder de ogenschijnlijk rimpelloze oppervlakte van de breed opgezette vertelling, het kalme betoog of de rustieke landschapsschildering een enorm geworstel met onbeantwoordbare levensvragen. 'Wie ben ik?' is een van de meest gestelde vragen in Haasse's werk, gevolgd door 'Wat wil ik?' en 'Wat zou ik moeten willen?' Of ze nu een vijftiende-eeuwse courtisane aan het woord laat, of een achttiende-eeuwse prinses, een vijfde-eeuwse prefect of een twintigste-eeuwse kunstenares - allen zijn ze de gevangenen van hun toevallige omstandigheden en dus niet in staat om in volle vrijheid hun eigen weg te kiezen. Ze doen uiteindelijk wel wat ze willen, maar ten koste van veel schade en schande, schuldgevoel en zelftwijfel.

Wat willen de anderen van ons en wat willen we zelf, dat is het steeds terugkerende thema. Het mag hedendaags aandoen, maar Haasse maakt aannemelijk dat het van alle tijden is. Haar personages, of ze nu verzonnen zijn, historisch verantwoord of iets daartussenin, staan keer op keer voor de moeilijke keuze tussen aanpassing aan het collectief of trouw aan zichzelf. Het lijkt me niet toevallig dat veel van die personages aangetroffen kunnen worden met wastablet of boekenrol, met perkament en ganzeveer, of gewoon met pen en papier. In brieven, dagboeken, gedichten en verhalen leggen ze verantwoording af van hun gevecht met zichzelf en de wereld. Iets van de fascinatie voor mensen die zich voortdurend rekenschap geven van het gevoel anders te zijn dan de anderen, moet terug te voeren zijn op Haasse's eigen leven.

Eenzelvigheid

In het eerder genoemde Zelfportret legde Haasse uit dat zijzelf zich van jongs af aan een buitenstaander heeft gevoeld, die wel meedeed met de anderen, maar er tegelijk niet helemaal bijhoorde. De beslotenheid van het gezin waarin zij opgroeide, zal bijgedragen hebben aan haar eenzelvigheid. Maar in haar laatste bundel Zwanen schieten (1997) geeft ze nog een nadere verklaring voor haar preoccupatie met al die waarheidszoekers in heden en vooral verleden: de betrekkelijke raadselachtigheid van haar eigen familie-achtergrond, die thuis met taboes omgeven was en waarover dus vooral gezwegen werd.

Dit familieverleden spitst zich vooral toe op de twee oma's van Haasse, die in haar jeugd een zekere rol hebben gespeeld. De oma van vaderszijde, een vormelijke, strenge, ingehouden dame, had geen wettige vader, terwijl de oma van moederszijde, een frivool en werelds type, met haar drie kinderen haar eerste man verliet uit liefde voor een ander, in die tijd een hoogst ongebruikelijke en onfatsoenlijke daad. Van beide oma's, de sensuele en de geslotene, meent zij karaktertrekken geërfd te hebben. Deze dubbele genetische erfenis lijkt mij ook in Haasse's werk aanwijsbaar. Zij zou althans kunnen verklaren waarom er zulke verschillen in toon, stijl en sfeer te bespeuren vallen tussen boeken die dicht op elkaar zitten, of die anderszins vergelijkbaar zijn.

Een omvangrijke roman als De ingewijden (1957) bijvoorbeeld, met een breed uitgesponnen en verknoopte intrige en een spectaculair slot, lijkt bijna door een ander geschreven dan het maar drie jaar later verschenen Cider voor arme mensen, dat in een aanmerkelijk soberder stijl een simpel verhaal vertelt over een man en een vrouw die hun overspelige relatie besluiten te beëindigen. Het afgemeten, hoekige taalgebruik van Huurders en onderhuurders (1971), dat goed past bij de ietwat lugubere sfeer van de roman, vormt een scherp contrast met het plechtstatige en clichématige taalgebruik van Het blauwe huis (1986), dat het vooral van zijn detective-achtige ontknoping moet hebben.

Opvallender nog is het verschil in stijl tussen de twee brievenboeken uit 1976 en 1978. In het eerste, Een gevaarlijke verhouding of Berg-en-Daalse brieven, vindt een interessante, maar onbestaanbare briefwisseling plaats tussen een achttiende-eeuwse romanpersonage, Markiezin de Merteuil, en Hella Haasse. De markiezin krijgt daarbij, zeker gezien de pittigheid van haar uitspraken, rijkelijk sleperige zinnen in de mond gelegd, die het lezen er niet altijd even aangenaam op maken. Daarbij vergeleken is Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakters, met als verraderlijke ondertitel 'Een ware geschiedenis', een wonder van vlotheid. De achttiende-eeuwse prinses Charlotte Sophie van Aldenburg en haar familieleden uiten zich in brieven aan elkaar in heldere, verrassend rechtstreekse zinnen.

Dat is niet alleen hun eigen verdienste. Haasse baseerde zich weliswaar bij de samenstelling van de roman op authentieke documenten en brieven, maar ze vertaalde en redigeerde het materiaal met krachtige hand, schrapte, vatte samen en vulde waar nodig aan voor een goed begrip van de hedendaagse lezer. Zo ontstond er een uiterst levendige en openhartige correspondentie waarin, meer dan elders, Haasse's talent voor het droogkomische naar voren komt.

Zelfportretten

Tot de hoogtepunten behoren wel de zelfportretten, die verschillende familieleden schreven op verzoek van de moeder van Charlotte Sophie, die er een album van bijhield. Sophie's vader, Anton van Aldenburg, schreef op veertigjarige leeftijd het volgende over zichzelf: 'Ik had vroeger een goed geheugen; dat laat mij nu in de steek. Ik heb genoeg verstand om mijn mond te houden in tegenwoordigheid van mensen die meer weten dan ik, en die zijn in de meerderheid. Eerlijk gezegd ben ik een vat vol tegenstrijdigheden. Maar voorzover ik mezelf ken, heb ik Goddank ook een paar goede eigenschappen.'

Het meest onthutsend is nog wel de slotzin van dit zelfportret, nadat hij uitdrukking heeft gegeven aan 'tedere liefde' voor zijn vrouw. Over zijn enige kind, Charlotte Sophie, merkt hij op: 'Ik heb bepaald geen hekel aan mijn dochter'. Een mededeling die reden geeft tot speculatie, zoals veel van de door Haasse geselecteerde brieven en documenten. Op deze eerste, succesvolle documentair-historische roman, een genre dat haar op het lijf geschreven lijkt, zouden er meer volgen. De voorlopig laatste is Heren van de thee uit 1992, dat vorig jaar zijn achtendertigste druk beleefde.

Voor de twee zielen in haar borst, een extraverte en een introverte, stelt Haasse, als gezegd haar oma's aansprakelijk. Over deze 'innerlijke tegenstrijdigheid' schreef ze in Zwanen schieten dat die bij haar had geleid tot een blokkade, 'tot onvermogen gevoelens te uiten, tenzij indirect, in verzonnen verhalen over bedachte personages'.

Ik vrees dat ze hier een te simpele scheidslijn heeft willen aanbrengen tussen leven en werk. Want het is juist binnen de veilige, zelfgeschapen wereld van de verzonnen verhalen over bedachte personages, dat haar innerlijke tegenstrijdigheid regelmatig voelbaar is. Ik ken eigenlijk geen schrijver die zo behoedzaam is als Haasse, die op bijna elke bladzijde van haar werk getuigt van een enorme vertel- en expansiedrift en zichzelf tegelijkertijd lijkt af te remmen en tot uiterste discretie te manen.

Vooral in haar meer fictieve verhalen, haar acht niet-historische romans, valt een zekere blokkade te bespeuren, alsof de personages hun gevoelens niet tot uitdrukking durven te brengen. Er lijkt wel een dimensie te ontbreken aan haar hedendaagse romans, die merkwaardig genoeg stijver, formeler en ouderwetser aandoen dan haar historische werk. Ideeënromans zijn het, die net niet helemaal tot leven willen komen, al heb ik een zwak voor Huurders en onderhuurders en ook voor De wegen der verbeelding (1983), waarin het detective-element een mooie duistere rol speelt.

Tijdgenoten

Met het al te nabije, met tijdgenoten om zo te zeggen, lijkt Haasse minder goed uit de voeten te kunnen dan met historische figuren, die haar duidelijk een groter gevoel van geestelijke vrijheid verschaffen. Daar, in romans als De scharlaken stad en Een nieuwer testament (1966), haar eigen lievelingsboek, is zij werkelijk op dreef en voert zij ons mee door stoffige stegen, achterbuurten, allerhande bloederige schermutselingen en door het perfide Vaticaan. En altijd weer duikt er in zo'n historische roman tussen alle schurken en machtswellustelingen een figuur op die ons en ook haarzelf wellicht ten voorbeeld wordt gesteld.

In Een nieuwer testament is dat de vijfde-eeuwse dichter Claudius Claudianus, die er in een ballingschap van 10 jaar achterkomt dat hij zijn gave des woords beter kan aanwenden voor gewone mensen dan voor de hogere kringen waarin hij altijd verkeerd had. Van een individualist groeit hij uit tot een mens met sociaal gevoel, met oog voor de zwakkeren, 'een mens onder de mensen'. Dit klinkt zoetsappiger dan het is bedoeld, want wat deze Claudianus vooral verwerpt is het christendom met zijn blik omhoog, naar het verhoopte hiernamaals. Hier op aarde, in dit tijdelijke leven, moet de verzoening van het ik met het andere tot stand worden gebracht, zo luidt ongeveer de boodschap van de roman.

Dat is het ideaal, door Hella Haasse in een historisch, maar toch vooral fictief verband fraai onder woorden gebracht. Iets heel anders is het om in de dagelijkse praktijk als mens met dichterlijke gaven deel te nemen aan het echte leven. Mijn favoriete passage in haar werk is nog altijd het tragikomische vierde hoofdstuk van Zelfportret als legkaart, waarin zij op even discrete als openhartige wijze verslag doet van haar ervaringen als kind van zeven tot negen jaar, toen haar moeder in een Zwitsers sanatorium moest kuren. Haar jongere broertje werd bij opa en oma ondergebracht, maar zij werd naar een pension gestuurd, onder de hoede van drie 'tantes', die nauwelijks begrip wisten op te brengen voor de noden en angsten van het verbeeldingsrijke meisje. In een verlangen haar eenzaamheid op te heffen en als gelijke te worden opgenomen in een groepje spelende kinderen op straat haalde zij de ergste kwajongensstreken uit, maar de zo verlangde aanvaarding 'als een der hunnen' bleef maar steeds uit. Ze werd geduld, meer niet.

Op een namiddag drommen de kinderen samen voor het open kelderraam van een huis in aanbouw, waardoor een balk steekt, die schuin naar beneden in de diepte verdwijnt. Iedereen wil dolgraag weten wat daar beneden te zien valt, maar niemand durft een kijkje te nemen. 'Hoewel de kelder een belangrijke rol was gaan spelen in mijn angstdromen, bood ik aan naar beneden te glijden', zo vervolgt het verhaal. 'De opwinding van de anderen gaf mij de illusie van saamhorigheid. Ik verdween dus met een vaart in de diepte. Het andere eind van de balk stond in een groot vat vol teer. Erger dan mijn val in de weke zwarte massa, erger dan de bedorven kleren, de straf thuis, en de tortuur van het lichaam en haren schoonmaken daarna, vond ik de reactie van de kinderen op mijn daad: joelend, gillend van het lachen, uitgelaten lucht gevend aan gevoelens jegens mij waarvan ik het bestaan niet had vermoed, brachten zij mij op naar de tantes.'

Dat de mens niet bij machte is de loop der dingen te keren, moet de jonge Hella dus al vroeg beseft hebben. Maar hij kan, zo begreep ze later van de evenwichtige Francesco Guicciardini, 'die verschijnselen bestuderen' en er mogelijk zelfs 'lering uit trekken.'

Schrale troost.

Aanstaande zondag 22 februari wordt Hella Haasse met een cultureel programma in de Stadsschouwburg van Amsterdam feestelijk gehuldigd.