Getemde kamertijgers; De geschilderde katten van Henriëtte Ronner-Knip

De 19e-eeuwse schilderes Henriëtte Ronner-Knip was baanbrekend in een traditie van katten- portretten. Dorinde van Oort, zelf poezenschilder, beschrijft hoe kunstenaars zich verhouden tot katten. “De kussenwording, de verpoederdonzing, de salonsnoezigheid gaat aan het diepste wezen van de kat voorbij.”

Poezenportretten uit de belle epoque, Henriëtte Ronner-Knip. Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Di t/m za, 10-17u. Zo 11-17u. T/m 5 april.

Harry J. Kraaij: Henriëtte Ronner-Knip. Uitg. Scriptum Art, ƒ 99,-. ISBN 90 5594 081 X

Han van der Horst: Spinnende poezen en speelse katjes. Uitg. Scriptum Art. ƒ 29,50 ISBN 90 5594 1123.

Wat is een kat? Kinderkunstcatalogus door Midas Dekkers. Uitg. Waanders, ƒ 24,50 ISBN 90 400 9224 9

Wat moet een kattenportrettist die zichzelf serieus neemt met de zoete poesjes van Henriëtte Ronner-Knip (1821-1909)? Bij mij wekken ze niet de vertedering waar ze overduidelijk op doelen, maar eerder verbazing: hebben we wel te maken met dezelfde soort? Ook roepen ze vragen op van praktische en organisatorische aard.

Nu is een onwaarschijnlijker huisvesting dan de weidse, kale muurvlakken van de Rotterdamse Kunsthal voor deze intieme tafereeltjes nauwelijks denkbaar. Temeer daar ze voor de gelegenheid ook nog in felrood, pijngeel, schelroze en lichtgevend groen zijn geverfd. Voorname salons, met stoffig strijklicht en wat sigarenrook, een chaise longue, ovale familieportretjes: daar horen ze thuis. Misschien is het een poging om de fondantsmaak te dempen, die op je tanden kan slaan bij het zien van zoveel koddig dollende bolletjes wol, die guitig een gitaar beklimmen, uit een lade piepen, spelen met juwelen of knotjes wol tegen de slinger van een pendule tikken, of snoezig rondscharrelen in een verfdoos of tussen zorgvuldig gerangschikte naaispullen, onder vertederd toezicht van de toegewijde moeder - dan heeft die opzet niet gewerkt. Het suikerzoete spat je tegemoet - juist door de afwezigheid van verzachtende omstandigheden. Een verlaagd plafond, schemerlampjes, een behangselmotief had gescheeld. Dat laatste was zelfs hoogst toepasselijk geweest. Henriëttes grootvader Nicolaas Frederik Knip (1741-1808), de stamvader van de beroemde Brabantse schildersfamilie, was oorspronkelijk ontwerper van behangselpatronen: landschapsmotieven en bloemstillevens. Zijn zoon Josephus leerde het vak van zijn vader, Henriëtte kreeg weer les van hem. De diverse familieleden werkten nauw samen, elk afzonderlijke partijen of motieven schilderend, die tot één werk werden samengevoegd - een soort legpuzzeltechniek. De doeken werden vaak niet eens gesigneerd.

Henriëtte was vijf toen ze haar eerste tekenlessen kreeg van haar vader, die in 1827 plotseling aan één oog blind werd en in de loop van luttele jaren ook het tweede moest missen. Niettemin was de opleiding streng en gedegen. Schetsen naar de natuur: vee, honden, een enkele poes, en kopieerwerk naar zijn eigen voorbeelden en modellen. Er werd de godsganse dag gewerkt, met een siësta van twee uur in het stikdonker, uit vaderlijke angst dat de oogziekte ook Henriëtte zou treffen. Dat gebeurde niet. Zij werkte door, vrijwel tot aan haar dood op 88-jarige leeftijd. Toen ze op haar elfde haar eerste schilderkist cadeau kreeg, was Josephus al blind; het schilderen leerde ze zichzelf. Samen met haar oudere broer August vervaardigde Henriëtte in 1835 De boerderij van Zijne K.H. de Prins van Oranje bij Tilburg, dat voor Willem I aanleiding was een pensioen voor hun vader te regelen. Op haar vijftiende verkocht Henriëtte haar eerste eigen doek - een poes - en al gauw viel de financiële verantwoordelijkheid voor het gezin op haar schouders. Na de dood van haar vader, in 1850, trouwde ze de advocaat Feico Ronner, met wie ze zich in Brussel vestigde.

Kostwinner

Daar Ronner ziekelijk was, bleef Henriëtte kostwinner, nu voor haar eigen gezin met drie kinderen. Ze schilderde om den brode: twintig jaar lang voornamelijk honden. Ze werd beroemd met de dramatische trekhondscène La mort d'un ami (1860), maar pas toen ze zich, rond 1870, geheel op de kat concentreerde, vond zij, met haar levensonderwerp, een gat in de markt.

Henriëtte werkte als een razende, voor een gretig kopend publiek. Soms had ze voor het ontbijt al een poezentafereel geschilderd - ze was dan wel om vijf uur opgestaan. Ze werd het eerste vrouwelijke kunstenaarslid van Arti, portretteerde de lievelingen van adellijke opdrachtgevers in binnen- en buitenland, werd in 1887 ridder van de Belgische Orde van Leopold, en in 1901 Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Al hadden sommige kunstcritici bedenkingen, het ontbrak haar nooit aan erkenning. Tegenwoordig gaan haar poezenidylles voor kapitalen onder de hamer.

De vraag rijst hoe zo'n zelfstandige, doortastende, talentvolle vrouw, feministe avant la lettre, een kunstenaarsleven lang genoeg had aan deze poezeligheid. Zelf was Ronner allesbehalve poezelig. Johan Gram schreef in zijn bewonderende biografie uit 1902: 'Bij den eersten aanblik deed zij mij aan den abt componist Liszt denken; misschien vooral, omdat zij ook de witte haren los en vrij naar achteren gekamd draagt gelijk de bekende musicus. Hare gelaatstrekken hebben iets mannelijks evenals hare stem, die zwaar is...'

Dan prangt de vraag hoe Henriëtte Ronner er in vredesnaam in slaagde haar modellen te regisseren. Mijn kamertijgers zijn niet bereid tot opzitten en pootjes geven. En in mijn eigen praktijk begeef ik mij kruipend en sluipend onder tafels en divans, snel modellen na over trappen en gangen, laat mij bij extreme schuwheid zelfs in badkamers insluiten - alles ten behoeve van het broodnodige oogcontact, de ultieme confrontatie, die onontbeerlijk is voor elk portret. Gelukkig staat Henriëttes werkwijze uitgebreid beschreven in de zeer lezenswaardige, rijk geïllustreerde monografie van Harry J. Kraaij, die synchroon met de tentoonstelling verschijnt.

De modelkeuze verklaart al veel. Ze kwamen niet van de straat, 'hare katjes', evenmin als de opdrachtgevers. Raskatten werden juist in deze tijd tot een statussymbool: koningin Victoria had twee blauwe Perzen! De grote rassententoonstelling van 1871 in het Crystal Palace in Londen had een explosie aan belangstelling ontketend voor het salonfähigste der dieren. Het idee om de opening van de huidige Rotterdamse tentoonstelling op te luisteren met een raskattenparade, onder de hilarische leiding van Maria Heiden als ladyspeaker op de catwalk - met alle risico om de show bij voorbaat te stelen - was dan ook gelukkig getroffen.

Op Ronners schilderijen zien we vooral angora's en Maine Coon-achtigen. Ook een cyper, maar wel met verdacht lange vacht. De haarloze Sphinx, hoe adellijk ook, had Ronner nooit als model gekozen, noch de magere zwervers die haar bij bosjes werden aangeboden. Dat had een sociale, maar wellicht ook een praktische reden. Roofdierlijke botstructuren gaan gerieflijk schuil onder vrachten fraai uitgewerkte vacht. Op zichzelf geen bezwaar: van Degas' danseresjes weet je ook nooit waar hun benen precies vandaan komen, of waar ze blijven na te zijn uitgestoken: wolken tule verhullen de cruciale aanknopingspunten. Le Chat blanc van Bonnard (1894) lijkt een stuk kauwgom, en is niettemin een kat pur-sang. Daar zit het hem niet in. Het is de inwisselbaarheid, de mensbedachte cuteness, de decoratieve kussenfunctie, die de kat als wezen onrecht doet.

Ravotten

Henriëtte had zelf katten, maar nooit veel meer dan één; in haar latere jaren slechts haar oude 'poes John'. De leenmodellen huisvestte ze in haar foyer des artistes, een houten kattenverblijf in haar tuin, met kittens in wisselende bezetting. Ze werden op gezette tijden losgelaten in haar atelier, waar ze naar hartelust mochten ravotten, zodat voorstudies konden worden gemaakt. Het 'bijwerk', de antiquiteiten en attributen die het kattenspel zijn thematische lading moesten geven, kwam uit haar eigen salon, of uit bruikleen van een Brusselse antiquair. Daar waar, in de zorgvuldige enscenering, de spelende katjes moesten komen, plaatste zij katvormige proppen papier. De massa, de licht- en schaduwpartijen gaf ze alvast aan, om ze aan de hand van schetsen tot de gewenste poezenvormen te definiëren (schetsen, overigens, die artistiek gezien haar uitgewerkte doeken vaak verre overtreffen). Bij wijze van finishing touch moesten de levende modellen opdraven voor het echte poseerwerk. Dat gebeurde in het 'glazen kastje', een meubel in Louis XV stijl, open van boven, met een glazen voorkant, een soort veredeld terrarium, gevoerd met blauwgrijs satijn. Het model viel daarin desgewenst gehoorzaam op een kussentje in slaap.

Uit de in Rotterdam aanwezige kinderschetsen blijkt onomstotelijk Henriëttes talent, maar ook haar originaliteit. Haar honden en poezen zijn misschien wat houterig, maar gestileerder, persoonlijker, dan het gros van het latere lopende-sofa-werk: Kat met spelende jongen uit 1846 bijvoorbeeld. Ook haar laatste werk heeft een soberder, eigener, persoonlijker stijl. Een enkele poes ziet nu en dan zelfs kans het decor te verdringen: de achtergrond wordt soberder, het anekdotische verdwijnt. Is, kortom, Ronners succes met haar talent op de loop gegaan? Dat zou allerminst een wonder zijn en het is haar nauwelijks kwalijk te nemen. Het raadsel ligt veeleer bij het publiek, dat, toen zowel als nu, poesieplaatjes prefereert boven een karakterportret. Voor dieren- zowel als mensenportretten geldt: gelijkenis best, maar geen confrontatie. Mensen willen snoezepoezen. Zelfs na Picasso's moordende monsters, na Giacometti's bronzen essentie, na de losse flodders van Manet en Bonnard, wil men het liefst ongevaarlijke, sufgeknuffelde kussens.

De negentiende eeuw was de eeuw van de verdringing. Wat er precies werd verdrongen, is ons door Freud uitputtend uitgelegd. Het zit verborgen onder de rijgcorsetten, de hoepelrokken - zeker ook onder het fraaie bont van de kat. Maar wat, en waarom, verdringt men nog steeds?

De blik van een kat is unnerving, relentless; een poel van waarheid, wijsheid en mysterie, maar bovenal van ambiguïteit. De mens kan maar weinig werkelijkheid verdragen, Shakespeare zei het al. Niet voor niets kunnen kattenhaters die blik niet aan. Hij knippert niet. Hij oordeelt niet. Hij is een spiegel van je ziel. Het probleem ligt bij de beschouwer.

Millennia lang heeft de kat een cruciale rol gespeeld in ons bestaan. Van bewaker van huis, hof en voorraadschuur tegen schadelijke knaagdieren, tot fiere kattengodin; van bestrijder van de Zwarte Dood tot de gevreesde, miskende, geterroriseerde zondebok uit de Middeleeuwen. Vervolgd, mishandeld, met zijn heks mee verbrand. Van bewaarder van bibliotheken en archieven - redder van onze eigen geschiedenis - tot ons huidige huisdier, de stress verlagende hoeder van ons psychisch welbevinden. Pas in de negentiende eeuw kreeg de kat in de schilderkunst een hoofdrol toebedeeld. Henriëtte Ronners werk is in dat opzicht baanbrekend geweest. Maar de kussenwording, de verpoederdonzing, de salonsnoezigheid, gaat aan zijn diepste wezen voorbij.

Ik citeer een van mijn eigen modellen, de Oerpoes Chris Heyboer - nota bene een schildersgezel! - die mij wegens zijn wildheid te woord stond vanachter gewapend glas: 'Burgerpoezen zijn zo sloom als een divan! (-) Ze zijn slaperig en oninteressant! Het wordt pas weer wat als ze geraakt worden in hun ziel... dan komt het dier in hen weer boven.'

Het schilderen van een portret - van mens of kat - is een zoektocht naar dat dier, dat in Ronner-Knips wollige wereld bijna steeds over het hoofd wordt gezien. Een kattenportrettist moet zijn modellen minstens even serieus nemen als zichzelf.