'Geef mij maar geld in plaats van Kofi Annan'

Voor de omvangrijke Iraakse gemeenschap in Jordanië draait alles om geld. “Zonder politiek is het leven ingewikkeld genoeg.”

AMMAN, 20 FEBR. Om zes uur 's avonds kijken twaalf Irakezen in het armoedige receptiehok van Pension Raghadan naar de voetbalwedstrijd Marokko-Egypte op Dubai-tv. Dit is het enige tv-kanaal dat geen nieuws uitzendt op dit uur. Dat VN-secretaris-generaal Kofi Annan naar Bagdad reist in een laatste poging de Irak-crisis diplomatiek op te lossen, interesseert hen niet. Met de Iraakse oppositie hier willen ze niets te maken hebben. Ze mijden de naam 'Saddam'. Op de grote pro-Irak-demonstratie vorige week waren zij afwezig. Deze Irakezen zijn naar Jordanië gekomen om geld te vergaren - het enige land waar zij legaal zes maanden naar toe kunnen. “Zonder politiek is het leven ingewikkeld genoeg”, zegt een gepensioneerde leraar uit Basra, die voor zes gulden per nacht een kamer deelt met twee anderen. “Geef mij maar geld, in plaats van Kofi Annan.”

Die uitspraak lijkt op te gaan voor een heel groot deel van de Iraakse gemeenschap in Jordanië, die de laatste maanden is uitgegroeid tot naar schatting 300.000 mensen. Zeker tweederde heeft een verlopen visum. Alle sociale klassen zijn er - zelfs de intelligentsia, die zich wegens Saddams maatregelen tegen een brain drain enkel met veel smeergeld toegang tot Jordanië weet te verschaffen. Het gros werkt in de bouw, schrobt vloeren, verkoopt tissues op straat, of is op jacht naar dit soort werk. Vrouwen verhuren hun lichaam. Zelfs het handjevol rijke Irakezen dat hier is neergestreken, is alleen bezig het reeds gemaakte fortuin veilig te stellen of te vergroten.

De leraar draagt een jalabiya-jurk en een antieke, gebarsten bril. Sinds het embargo tegen Irak werd ingesteld wordt zijn pensioen, 3.000 Iraakse dinar, maar eens per drie maanden uitgekeerd. Door de devaluatie van de dinar kan hij daar nu precies 24 eieren van kopen. Hij kwam naar Amman om neven en ooms in de Golf en Canada via collect-telefoongesprekken om geld te smeken.

Pagina 5: 'Irakezen helpen elkaar niet. Het is ieder voor zich'

Dat geld haalt hij dan hier van de bank, en neemt het mee terug naar Irak, waar hij vijftien mensen onderhoudt. Hij hoopt 5.000 Amerikaanse dollar los te peuteren. “Als zij dat op mijn rekening in Irak storten”, zegt hij, “krijg ik het volgens de officiële koers in dinars uitbetaald. De overheid houdt er meer aan over dan ik. Hier vraagt de bank ook commissie, maar kan ik dollars opnemen. Die wissel ik zwart in Irak. Zo zing ik het misschien een jaar uit.”

Eens werkten de Jordaniërs als arbeiders in het rijke olieland Irak. Nu Irak van de VN maar een beperkt aantal vaten mag exporteren, zijn de rollen omgedraaid. In het industriegebied Sahab, een uur buiten Amman, zijn het Irakezen die vracht sjouwen en blikjes verkopen op straat. “De Iraakse families met wie ik voor de Golfoorlog van 1991 handel dreef”, zegt een Jordaanse zakenman in Sahab, “zijn haast alle bedelaars geworden. De fabrieken zijn dicht, op de voedselproducerende na - en die zijn allemaal in handen van de Iraakse overheid.” Volgens hem houden veel Irakezen Saddam verantwoordelijk voor de misère. Maar niemand durft dat hardop te zeggen, uit angst voor Saddams geheime dienst. Een op de twee Irakezen is een potentiële verklikker.

De gruwelijke moord op acht zakenlui, diplomaten, en andere Irakezen in Amman, vorige maand, was volgens velen het werk van Saddam. De daders hadden een Iraaks accent. Maar dat de moorden volgens hen meer om financiële dan om politieke redenen werden gepleegd, geeft aan dat 'overleven' in Irak ook voor de elite meer om geld draait dan om iets anders. Sommigen zeggen dat hier een ruzie werd beslecht om wie Saddams goudvoorraden in het Westen mocht verkopen. Anderen denken dat Saddams zoon Uday de Irakezen uit de weg ruimde omdat die de hand probeerden te leggen op Saddams beleggingen in Europa.

Hoezeer geld ieders gedachten beheerst, bleek ook deze week in Amman, toen twee Jordaniërs en twee Irakezen werden gearresteerd met twee schilderijen en een beeld van Picasso. De kunstwerken bleken tijdens Iraks bezetting in Koeweit gestolen. De politie vermoedt dat de huidige Iraakse 'eigenaar' ze naar Jordanië liet smokkelen om ze te verkopen. “Iraakse diplomaten vragen buitenlandse cameraploegen duizenden dollars of apparatuur in ruil voor een visum voor Bagdad”, weet een Irakees, die de Iraakse overheid behalve de reguliere 600 dollar uitreisbelasting ook nog eens 900 onder de tafel betaalde om echt de grens met Jordanië over te kunnen. Hij verkocht zijn huis. Hij was arts. Nu brengt hij koffie rond in een kantoor. “Het volk lijdt onder het embargo. Saddam verdient eraan.”

“Ik herken Irak niet meer”, zegt schilder en kunstcriticus Saad al-Kassab, die vier maanden geleden zijn baan op het ministerie van Cultuur in Bagdad opzegde om naar Jordanië te gaan. Hij zit in een galerie die haar voordeel doet met het oeuvre van desperate Iraakse kunstenaars. “Niemand helpt elkaar, het is ieder voor zich. Je struikelt hier over de Irakezen, maar er is geen Iraakse gemeenschap. Geld is het enige dat telt.”

Zo weinig als Irakezen kwijtwillen over Saddam en de crisis met de Verenigde Staten (de VN hebben niets met het conflict te maken, de 'imperialistische grootmacht Amrika' daarentegen alles), zo roerend zijn zij het eens over de smokkelroutes die het Iraakse regime gebruikt om stiekem olie te verkopen. Met de verdiende dollars zou Saddam zijn inner circle voor hun trouw betalen en luxegoederen importeren. Alleen eten en medicijnen mogen volgens de VN-olie-voor-voedsel-regeling Irak in. Maar volgens een Irakees in Pension Raghadan kun je in Bagdad zelfs Duitse keukens krijgen. “Vanuit het Intercontinental hotel in Dubai”, zegt de Jordaanse zakenman in Sahab, “zie je bootjes met humanitaire hulp naar Basra vertrekken en terugkomen met illegale olie aan boord.” In Jordanië gaat het gerucht dat de Amerikanen, mocht er een aanval komen, met name in Basra de gaten in het embargo willen dichtbombarderen.

Saddam zou ook olie over de Iraanse grens smokkelen. Zo goed als VN-monitors de vlakke, overzichtelijke Iraaks-Jordaanse grens bewaken, zo moeizaam is dat in het hooggebergte dat Irak van aartsvijand Iran scheidt. Volgens Dirgham Kathem van Al-Wifaq, de enige Iraakse oppositiepartij die in Jordanië kantoor mag houden en die zelfs een tv-kanaal heeft, verkoopt Saddam olie voor zes dollar per vat aan Iraniërs die het voor 30 doorverkopen. Via de Koerden in het noorden wordt flink zwart gehandeld met Turkije. En sinds Syrië een half jaar geleden na bijna twintig jaar de grens met Irak opende, denderen Syrische trucks naar Bagdad. “Vroeger was de weg vol Jordaanse trucks”, zegt de Jordaanse zakenman spijtig. “Onze koning is de enige leider in de regio die zich aan het VN-embargo houdt. Hij wil de goede relaties met Amerika niet op het spel zetten”.

In het pension komt een Irakees binnen die heeft gehoord dat een landgenoot Jordanië is uitgezet omdat hij een auto-ongeluk had veroorzaakt. “Bij Allah”, roept de leraar, “wij zijn het uitschot van de wereld! Iedereen doet met ons wat hij wil - de regering, de Jordaanse politie, Amrika”. De anderen bevriezen. De leraar kijkt geschrokken. Hij heeft aller schaamte blootgelegd in het bijzijn van een vreemdeling. Hij sloft naar zijn kamer en slaat de deur dicht. De rest gaat weer zwijgend voetbal kijken.