Feestelijke film naar boek Grisham

BERLIJN, 20 FEBR. Bestsellerauteur John Grisham leverde de stof voor twee grote Amerikaanse films, die op het 48ste Internationale Filmfestival van Berlijn in Europese première gaan. Zondag zal Francis Ford Coppola's verfilming van The Rainmaker als slotfilm functioneren, vandaag wordt The Gingerbread Man van Robert Altman (in 1976 winnaar van de Gouden Beer voor Buffalo Bill and the Indians) eveneens buiten competitie vertoond.

Het in Savannah, Georgia, tijdens een bezoek van de tropische wervelstorm Geraldo, gesitueerde The Gingerbread Man is gebaseerd op een nooit in boekvorm gepubliceerd verhaal van Grisham; het onderscheidt zich niet wezenlijk van al die andere Grisham-verhalen over een zuidelijke advocaat (dit keer Kenneth Branagh, meer dan ooit gelijkend op zijn grote voorbeeld Laurence Olivier) die zich in de nesten werkt, maar de hand van de meester Altman maakt er wel een feestelijke, hoogst onderhoudende film van. De originele en meeslepende mise-en-scène wordt virtuoos ondersteund door de beelden van Gu Changwei, de voor het eerst in Amerika werkende Chinese cameraman van Het rode korenveld en Farewell to My Concubine.

Er zijn meer films in het programma die vooral opvallen door hun vormgeving, zoals het interessante Australische debuut van Rowan Woods, The Boys: een op een toneelstuk gebaseerd, ingenieus geconstrueerd portret van drie broers, hun partners en hun moeder in een marginaal milieu vol dreigend geweld en destructiviteit in de relatiesfeer en ver daarbuiten. Of Alain Resnais' On connaît la chanson, dat gekenmerkt wordt door het gebruik van flarden uit populaire Franse liedjes, van Charles Trenet tot Sylvie Vartan, waarmee de personages in curieuze terzijdes hun gedachten en gevoelens uitdrukken. Resnais droeg zijn film op aan Dennis Potter, die dit procédé in de door hem geschreven televisieseries voor het eerst beproefde, maar er is een essentieel verschil. In The Singing Detective bij voorbeeld wordt er gezongen wanneer gesproken woorden tekort schieten voor de pijn, Resnais wekt de indruk een verhaaltje te hebben laten schrijven rondom de liedjes die hij wilde verwerken. Zoals de meeste latere films van Resnais krijgt On connaît la chanson daardoor, ondanks alle charme, iets retorisch en futiels. Ook het pan-Scandinavische kostuumepos Barbara van Nils Malmros, geheel opgenomen op de Faerr-eilanden, zwelgt met allure in de romantiek van zee, storm en zonde en leert ons hoe tien bebaarde roeiers in de 18de eeuw de enige oplossing vormden om op verschillende eilanden verblijvende gelieven samen te brengen, maar het is geen film die het inzicht in de menselijke conditie blijvend vergroot.

Wijzer word je in Berlijn vooral van kleinere, in het Internationales Forum des jungen Films vertoonde films. In de documentaire Grosse weite Welt van Andreas Voigt volgt de voormalige Oost-Duitser de treurige wederwaardigheden van inwoners van Leipzig, die hij in 1989 eerder filmde aan de vooravond van de Wende. Van hun idealen en verwachtingen is weinig terechtgekomen; een voormalige linkse skinhead maakt nu carrière in de Bundeswehr, een ooit met de Stasi collaborerende journaliste probeert haar integriteit te hervinden en een ontslagen arbeider zoekt troost in de alcohol. Voigt maakte een voorbeeldige documentaire, die veel impliciet vertelt in goed gekozen, bijna elegische beelden.

Niet echt documentair, maar wel gebruik makend van de werkelijkheid is de tweede speelfilm van de Russische Lidia Bobrova. De in een dorpje in de buurt van Archangelsk opgenomen tragikomedie In That Land (V toj stranje), gedrenkt in wodka, onmacht en afgunst, is net iets minder briljant dan Bobrova's vorige film Oj vy goesi, maar wel weer een opmerkelijk authentieke speelfilm over het leven op het Russische platteland.