Een gebouw lijkt op een levend lichaam; Gesprek met architect Kas Oosterhuis

Architect Kas Oosterhuis is een van de pioniers van de computerarchitectuur, met als gevolg veel gekromde lijnen als hèt kenmerk voor zijn gebouwen. “De computer is een stimulans om te doen wat onmogelijk was.”

Werk van Kas Oosterhuis en Ilona Lénárd is te zien op de tentoonstelling Constructen in De Paviljoens, Odeonstraat 5 in Almere. Openingstijden: di t/m zo 12-17 uur

Niet een computergestuurde bewakingsinstallatie, maar een ouderwetse, reusachtige hond met veel wit haar bewaakt het Rotterdamse terreintje waar het architectenbureau van Kas Oosterhuis is gevestigd. Aan het hek hangt een groot waarschuwingsbord voor het beest en op gerammel aan de poort reageert het inderdaad met luid geblaf, zoals honden al eeuwen doen. Alleen aan zijn hok is te zien dat zijn baas een pionier van de computerarchitectuur is: het heeft de gekromde vormen, die inmiddels kenmerkend zijn geworden voor gebouwen die met de computer zijn ontworpen.

De computer heeft niet altijd een rol gespeeld in het werk van Kas Oosterhuis (1951). Hij begon zijn carrière als een 'gewone' architect die in 1980 samen met Frits van Dongen voor enig rumoer zorgde door een ontwerp voor een stadhuis in Amsterdam. De twee stelden voor om het Paleis op de Dam weer als stadhuis in gebruik te nemen, maar dan wel gecompleteerd met een hoekige wolkenkrabber op een van de twee binnenplaatsen van Jacob van Campens meesterwerk uit de zeventiende eeuw. Op het Rokin wilden ze een langgerekte doos plaatsen als onderkomen voor de Amsterdamse ambtenaren. Het ontwerp dateert uit de tijd dat Oosterhuis nog niet met behulp van computers ontwierp.

“Vroeger vond ik computers wel interessant, maar niet goed bruikbaar bij het ontwerpen”, zegt Oosterhuis in zijn kantoor, dat vroeger als kleedruimte van een gymzaal fungeerde. “Het duurde een dag voor je één coördinaat had ingevoerd. Pas in de jaren tachtig kwamen er programma's waarmee je heel mooi en gemakkelijk schaduwen en verschillende transparanties in je ontwerpen kon aanbrengen.”

Inmiddels gebruikt Kas Oosterhuis, vaak samen met beeldend kunstenares Ilona Lénárd en programmeur Menno Rubbens, de computer niet meer alleen om verleidelijke presentaties te maken van met traditionele middelen vervaardigde ontwerpen. “We zitten nu van begin af aan achter de computer”, zegt Oosterhuis. “We beginnen met het maken van een intuïtieve computerschets. Als die een beeld oplevert dat sterk genoeg is, wordt de schets vervolgens met de computer bewerkt tot een volume waarin alle gevraagde functies die het gebouw moet hebben, kunnen worden ondergebracht. Dat bewerken en vervormen gaat tamelijk gemakkelijk met een computer: je kunt een lijn wat uitrekken of juist verkleinen, zonder dat je het hele ontwerp opnieuw moet doorrekenen.”

Kruimeldief

Sommige ontwerpen van Oosterhuis en Lénárd zijn nog steeds hoekig. Zo kregen hun patiowoningen voor het woningbouwfestival aan de Dedemsvaartweg in Den Haag een eenvoudige doosvorm, waarvan de gevels fungeerden als een soort tekenvel voor de dazzlepaintings van Léna. Maar huizen in Groningen kregen wel gekromde daken, en als hij geen woningen ontwerpt, spelen kromme lijnen een hoofdrol. Zijn afvaloverstortplaats in Zenderen, Twente, heeft bijvoorbeeld het voorkomen van een reusachtige walvis of, iets toepasselijker, van een gigantische kruimeldief. Op elk punt heeft dit gebouw een andere doorsnede, evenals het Zoutwaterpaviljoen op het voormalige werkeiland Neeltje Jans bij de Oosterscheldedam. Van buiten doet dit zwarte gebouw denken aan een slangenkop en ook van binnen lijkt het paviljoen te leven: geluid, licht en stromend water worden door de bewegingen van bezoekers geactiveerd of kunnen door een druk op de knop in werking worden gezet.

Welvingen en complexe stereometrische vormen zijn langzamerhand het kenmerk geworden van computerarchitectuur. Waarom is dat eigenlijk zo? Een computer wil uit zichzelf toch niets?

“Ik kan me herinneren dat Carel Weeber, de huidige voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten, eens over de computer zei dat hij het zo'n handig ding vond omdat er een repeteertoets op zat. Maar dat vind ik geen interessante benadering. Voor mij is de computer een uitbreiding op de gebruikelijke middelen voor het ontwerpen van architectuur. Het is een stimulans om dingen te doen die eerst onmogelijk waren. Met de computer kun je gemakkelijk complexe welvingen ontwerpen en veranderen. Ook kun je, als je digitaal werkt, gemakkelijk verbanden leggen met andere kunsten. We werken nu bij bepaalde projecten met componisten, zoals bij de sculptuur ParaSCAPE op de Kop van Zuid in Rotterdam. Hierbij baseert Richard Tolenaar zijn muziek op dezelfde digitale gegevens als de architect of als de beeldend kunstenaar.

“Toenemende complexiteit is inherent aan het leven. Het maken van een teveel, van een overvloed om vervolgens daarmee voort te gaan is het kenmerk van alle leven. Door de complexe welvende vormen begint de architectuur te lijken op lichamen, en dan bedoel ik niet alleen levende biologische lichamen maar ook industriële lichamen, zoals Philishaves en andere apparaten. Niet toevallig wordt er in de industriële vormgeving gesproken over de 'body' van voorwerpen die je in je hand houdt. De techniek van die voorwerpen bepaalt niet meer de vorm, want de technische onderdelen zijn zo klein, dat ze in elke omhulling zouden kunnen worden gestopt.

“Ook een gebouw lijkt op een levend lichaam. Men spreekt niet voor niets over de levenscyclus van een gebouw. Het ontstaat, er komen mensen die leven in het gebouw brengen door bijvoorbeeld lichtknopjes aan en uit te doen, het gebouw wordt oud en slijt en wordt tenslotte gesloopt. En als het een beetje mee zit, wordt het materiaal opnieuw gebruikt. Dat lijkt erg op ons leven: onze onsterfelijkheid bestaat toch ook voor een belangrijk deel uit het feit dat onze resten weer onderdeel worden van nieuwe structuren.

“We hebben de afvaloverstortplaats dan ook ontworpen als een lichaam waarvan de doorsnede soepel verandert. We wilden alle onderdelen in één volume onderbrengen: een klein kantoortje werd de intelligente kop; een opslagruimte voor machines werd een halsstuk; de grote, vrije ruimte waar vrachtwagens moeten kunnen rijden, vormt het lijf en de zuiveringsinstallatie fungeert als staartstuk.

Uw werkwijze lijkt wel het omgekeerde van het functionalisme. Is uw lijfspreuk 'function follows form'?

“Niet echt, ik zou eerder zeggen: 'form allows function'. Één zekerheid hebben we en dat is dat je gebouwen voor allerlei functies kunt gebruiken. Kijk maar naar de ruimte waar we nu in zitten. Dat was eerst een kleedruimte en fungeert nu als architectenbureau.

“Bij de opleiding bouwkunde aan de Technische Universiteit ligt heel sterk de nadruk op het tekenen van goede plattegronden en doorsneden. Een van de problemen hiervan is dat alleen ingewijden ze kunnen lezen en begrijpen. Zo beschermen architecten hun eigen beroep: wat ze doen, is alleen te begrijpen door een elite. Het aardige van de computerontwerpen, zeker als je met virtual reality werkt, is dat je er de mensen als het ware doorheen kunt laten lopen. Ontwerptekeningen lezen is een vak apart, maar over driedimensionale computerontwerpen kun je heel goed met de opdrachtgever discussiëren. Iedereen kan erover oordelen.

“We proberen eerst een sterk, overtuigend beeld te maken en bekijken vervolgens hoe de activiteiten waarvoor het gebouw is bedoeld zich daarin kunnen afspelen. Zo'n beeld moet zowel in intellectueel opzicht interessant zijn als het oog van de toevallige passant behagen. Met de afvaloverstortplaats is ons dat gelukt.”

Is brede waardering voor uw werk belangrijk voor u?

“Ja. Als er 5 miljard mensen zijn, vind ik het nogal makkelijk om te zeggen 'ik maak iets dat voor twee mensen interessant is'. Dat is een arrogantie die mij niet bevalt. Maar het is ook weer niet zo dat ik iets ga maken dat het grote publiek wil. Ik geloof niet dat precies is vast te stellen wat het publiek wil. Het is net als met hits in de popmuziek of met een nieuw automodel: zelfs het meest gedegen vooronderzoek geeft geen garantie op succes.

“Maar het beeld, de vorm, is iets dat modernisten veronachtzaamd hebben. Ook architecten als Rem Koolhaas hebben geen strategie voor het beeld. Koolhaas heeft heel erg de nadruk gelegd op de complexiteit van het programma van eisen, maar dit is ten koste gegaan van de vorm. Je ziet nu in de recente gebouwen met geplooide en omgeklapte vloeren iets meer aandacht voor het beeld ontstaan. Maar deze zijn nog geheel bedacht vanuit de tweede dimensie: men neemt een plat vlak en drukt er als het ware een bobbel in de vloer of verbuigt deze wat. Dit wordt dan begeleid door modieuze beschouwingen over geplooide architectuur, waarin het werk van de filosoof Gilles Deleuze wordt misbruikt. Deleuze heeft een boek met de titel Le pli, de plooi, geschreven en dat zie je dan heel letterlijk terug in een geplooide architectuur. Wij werken van begin af in drie dimensies.”

Speelt Deleuze dan geen rol in uw werk?

“Alleen achteraf. Op een gegeven moment wilde ik ook wel eens lezen wat hij schreef over plooien. Maar het was niet zo dat ik Deleuze las en vervolgens met welvende architectuur begon. Wel ben ik via Deleuze bij zijn leerling Bernard Cache terechtgekomen, een filosoof en wiskundige die nu ook als architect werkt. Hij heeft het bedrijf Objectile, dat zich toelegt op het volledig industrieel vervaardigen van complexe oppervlakken en volumes. Het is nu meestal nog zo dat de industrie de vormen die wij verzinnen moet maken door in massa geproduceerde materialen te buigen. Maar ook de industrie gaat steeds meer over op het maken van unica, die geheel computergestuurd worden vervaardigd. Het met de computer gemaakte ontwerp kan dan direct aan de fabricage worden gekoppeld. Het snijden van staalplaten en glas gebeurt nu al computergestuurd.”

Er zijn meer architecten die intensief gebruik maken van de computer bij het ontwerpen. Bestaat er al zoiets als een nieuwe stijl, een neo- of computerbarok?

“Neobarok zegt me weinig. Als er weelderig en overvloedig mee wordt bedoeld, dan heeft mijn werk daar wel mee te maken. Maar er is geen verwantschap tussen de barok als historische stroming en mijn werk. Het zou wel heel toevallig zijn als de moderne materialen waarmee we werken zouden leiden tot soortgelijke vormen als in de barok.

“Er zijn maar een paar architecten die intensief met de computer werken: Frank Gehry, Coop Himmelblau, Lars Spuybroek, Ben van Berkel in zekere mate, en nog een paar. Maar we hebben natuurlijk allemaal het gevoel dat we heel erg van elkaar verschillen.

“Wie ik eigenlijk interessanter vind dan bijvoorbeeld Coop Himmelblau is de beeldend kunstenaar Frank Stella. Vooral het moment waarop zijn schilderkunst driedimensionaal wordt en de vormen uit het platte vlak beginnen te treden, is fascinerend. Sinds ik samen werk met Ilona Lénárd, speelt beeldende kunst een belangrijke rol in mijn werk. Zij is een beeldend kunstenares die toestaat dat een kunstwerk niet alleen op zichzelf staat, maar ook een functie krijgt. Omgekeerd ben ik een architect die vindt dat vormen niet alleen op basis van het programma van eisen moeten worden ontwikkeld. Onze rollen wisselen: soms stel ik me op als beeldend kunstenaar, en is Ilona de architect. Idealiter zou de grens tussen beeldende kunst en architectuur moeten vervallen.”

Een van de rechtvaardigingen die u geeft voor de weelderige vormen is dat een kromme lijn meer informatie bevat. Maar worden we in dit digitale tijdperk al niet genoeg gebombardeerd met informatie? Kan een architect juist niet beter zorgen voor rust en eenvoud?

“Dat is een defensieve houding. Al die informatie is een weldaad, ik ben er blij om, je kunt je erin wentelen. Je kunt het vergelijken met een boswandeling. Elk blaadje is informatie, en hoe meer ze voorkomen, des te weldadiger de wandeling. Ik hoef niet van elk blaadje te weten hoe het er precies uitziet, het gaat om het totaalbeeld. Hetzelfde geldt voor architectuur. Het waterpaviljoen heeft duizenden coördinaten, de informatie-inhoud van de vorm is heel groot. Hoe complexer een gebouw is, des te meer ontstaat het idee dat het een ontwikkeld lichaam is.

“Bovendien is rust niet alleen de afwezigheid van iets als informatie. Je kunt met digitale technieken ook een rustige sfeer creëren, ongeveer zoals Brian Eno doet met zijn 'ambient music'. Een lange, iets gekromde lijn bevat evenveel informatie als een korte spiraal bijvoorbeeld, maar geeft toch een rustige indruk.

“Mensen hebben niet alleen behoefte aan rust, maar ook aan beweging. Vooral dit laatste vind ik een interessant gegeven: bewegingen beginnen steeds meer een architectonische opgave te worden. Niet alleen de route door een gebouw, die al eeuwen een thema is in de architectuur, maar de reacties van een gebouw op de bewegingen van de gebruikers. 'ParaSCAPE', onze sculptuur op de Kop van Zuid in Rotterdam, reageert met sensoren op de bewegingen. Wie de trap afloopt, krijgt bijvoorbeeld geluid te horen, dat op zijn beurt weer een bewerking is van omgevingsgeluiden en dus elke keer weer anders klinkt. Zo wordt deze sculptuur een soort levend wezen dat reageert op zijn omgeving en zich steeds anders gedraagt. Deze ontwikkeling zie je ook bij gebouwen: techniek en architectuur smelten samen en raken op hun beurt steeds meer vervlochten met de mens. Interactiviteit wordt steeds belangrijker, ook in de architectuur.”