'Discussie of nieuwe munt er komt of niet is tijdverspilling'; Politiek reageert te traag op de euro

De komst van de euro doet pijn en kost geld. Maar voorbij de inspanningen liggen de mogelijkheden. Die moeten meer aandacht krijgen, vindt bankier Dolf van den Brink. Op dat terrein ligt een kans voor de overheid.

AMSTERDAM, 20 FEBR. “Het slechtst denkbare zou zijn als we wél de pijn van de voorbereidingen hebben gehad, maar niet de lol ervan krijgen”, zegt hij. “Daarom is een positieve instelling nu echt geboden. De politiek verantwoordelijken zouden dat beter moeten beseffen. Ik vind het kabinet eigenlijk te afhoudend en dat is een gemiste kans.”

Dr. R.G.C. (Dolf) van den Brink (50), sinds vorig jaar bestuurslid van ABN Amro, neemt voorspellingen gewoonlijk met een korrel zout. Maar over de kans dat de euro wordt ingevoerd is hij beslist. “Het is uitgesloten dat de euro er niet komt. De euro is een gelopen race. Ik kan geen scenario bedenken waarin de Europese regeringsleiders (op 3 mei) zouden besluiten dat de euro niet doorgaat.”

Hij zegt de politieke zorg in Den Haag over de risico's van de Economische en Monetaire Unie (EMU) volkomen te begrijpen. “Maar als je er van uitgaat dat de euro er niet komt, dan mis je de opportunities. Het is een academische discussie of Nederland buiten de euro blijft. Tijdverspilling. De euro komt er, of je het nu leuk vindt of niet.”

Binnen zijn bank heeft Van den Brink zich altijd met financiële markten bezig gehouden. In de raad van bestuur is hij belast met de euro, internationale betalingssystemen, automatisering, het millennium-probleem en personeelszaken.

Volgens de bankbestuurder is de maatschappelijke awareness over de euro in Nederland onvoldoende ontwikkeld. De overheid, meent hij, had eerder aan de eurovoorlichting moeten beginnen. “Het is wel erg laat om pas in mei met de hele fanfare van de eurocampagne los te barsten. De overheid had toch wel enig risico kunnen nemen door die campagne eerder te laten beginnen.”

De Nederlandse banken zijn al veel langer bezig met hun eurovoorlichting. ABN Amro hield zijn eerste publieksbijeenkomst begin 1996 en is sindsdien met een euro-roadshow de wereld doorgetrokken. Vaak waren bij presentaties in het buitenland - in totaal werden er zo'n zestig gegeven - ook politici of bewindslieden aanwezig. In Nederland niet. Het jaarbudget van de bank voor europubliciteit, zo'n 35 miljoen gulden, bedraagt meer dan het geschatte overheidsbudget van 30 miljoen voor de nationale eurocampagne.

In het eerste weekeinde van mei nemen de Europese regeringsleiders het besluit welke landen op 1 januari 1999 zullen deelnemen aan de monetaire unie. Nu het moment van besluitvorming snel dichterbij komt, proberen tegenstanders van de euro nog een laatste offensief. In Duitsland heeft een groep van 155 professoren economie recentelijk in een manifest voor 'orderlijk uitstel' van de euro gepleit. Vier andere hoogleraren hebben bij het Duitse Constitutionele Hof een juridische procedure aangespannen om de grondwettelijkheid van de euro aan te vechten. In Nederland probeert een Kritisch Forum aanhangers tegen de euro te mobiliseren voor een manifest.

“Ik kan me bij de gedachtengang van de tegenstanders veel voorstellen”, zegt Van den Brink. “Je moet nooit blind zijn voor de gevaren. De zorgen ten aanzien van Italië, maar ook Frankrijk en Duitsland, neem ik serieus. Maar ik zou de zaak toch liever omdraaien.”

Italië, zegt hij, heeft een geweldige prestatie geleverd om zich te kwalificeren voor toetreding, ook al heeft het land nog een lang traject te gaan. “Italië is er nog volstrekt niet en moet nog veel doen om zijn act together te krijgen. Maar de inzet moet zijn: Italië komt er bij en hoe krijgen we de Italianen zover dat ze verder gaan op de weg die ze zijn ingeslagen. Het is niet realistisch te denken dat Italië buiten de eerste groep zal blijven. Er zal toch met enige soepelheid worden omgegaan met de toelatingscriteria.” En, in een subtiele verwijzing naar de 'spaghetti-fobie' die in Den Haag waart: “Nederland moet geen belerend vingertje opsteken. We moeten niet vergeten dat wij er na 1982 ook jaren over hebben gedaan om de openbare financiën op orde te krijgen.”

In de eurodiscussie overheerst teveel een negatief beeld, vindt Van den Brink. “De Nederlandse zorgen zijn begrijpelijk, want tot nu toe heeft de euro alleen maar geleid tot meer lasten en kosten.” Onder de lasten verstaat hij de aanzienlijke invoeringskosten die het bedrijfsleven moet opbrengen, en de negatieve gevolgen die de sanering van de overheidsfinanciën heeft gehad voor de burgers.

“Maar we moeten ons niet laten meezuigen in een negatieve sfeer. Je moet ook kijken naar de dingen die komen. Wat betekent het als er een Europese binnenmarkt is met één munt. Ik vind dat je positief naar problemen moet kijken en mogelijkheden moet creëren.”

Van den Brink noemt een probleem waarmee het bankwezen te maken krijgt in de eurozone. Het inter-europese betalingsverkeer bijvoorbeeld. Als straks de euro ingevoerd is, blijft een overboeking van Enschede naar Gronau of van Breda naar Antwerpen een buitenlandse transactie, waarvoor de klant meer moet blijven betalen dan voor een binnenlandse overboeking. Er is in de euro-zone geen sprake van één Europees betalingssysteem. Daarvoor moeten nationale wetgeving en fiscale regels worden herzien, maar hieraan wordt nog nauwelijks gewerkt.

“Je moet de voorwaarden scheppen voor de positieve kanten van de euro. Daarvoor is grotere synchronisatie van de nationale wetgevingen nodig. Maar er is in Europa geen coördinerend lichaam dat dit proces van juridische en fiscale harmonisatie trekt.”

Zijn ervaring is dat 'post-euro-problemen' onvoldoende worden aangepakt zolang de discussies nog over de argumenten voor en tegen de euro gaan. Met technische kwesties zoals de harmonisatie van de faillissementswetgeving, de rentesaldering op tegoeden in de eurolanden of verschillen in regelgeving voor vermogensbeheer houdt niemand zich bezig. “Je wordt van het kastje naar de muur gestuurd”, is Van den Brinks ervaring. Hij erkent dat dit het gevolg is van de afwezigheid van een Europese regering en daarom doet hij een voorstel: “Er is zoiets als een Europees 'poldermodel' nodig. Een gezamenlijke aanpak vanuit een positieve instelling om problemen op te lossen.”

“Je hoeft niet te komen tot één Europese regelgeving, maar je moet proberen de verschillende nationale wetgevingen te harmoniseren. De euro zal automatisch leiden tot verdere afstemming van beleid, dat zal door de markten worden afgedwongen. Dat marktproces moet je stimuleren door een Europees 'poldermodel'.”

Hij denkt aan een soort SER op Europees niveau: overleg tussen de centrale banken, overheden en het particuliere bedrijfsleven, in eerste instantie van de euro-landen. Elk van de partijen zou vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid een bijdrage moeten leveren.

In Nederland bestaat nog te weinig besef van de problemen waartegen bedrijven met grensoverschrijdende activiteiten zullen aanlopen als de euro eenmaal een feit is. Dat komt ook omdat de overheid tot nu toe te weinig doet om de euro in positieve zin onder de aandacht van de bevolking en het bedrijfsleven te brengen, meent hij.

“Nederland begint pas in mei met zijn euro-campagne, pas als het zeker is dat de euro doorgaat. Daarmee is de kans gemist om al eerder de bewustmaking over de euro te vergroten. En die is nodig om niet alleen maar naar de negatieve kanten te kijken.”

Van den Brink komt terug op zorgen over de deelname van landen met een traditie van zwakke munten aan de euro. Volgens hem zal het marktmechanisme die landen dwingen hun zaken beter te regelen. Ook als de monetaire unie een feit is. Mocht een land proberen zich te onttrekken aan de begrotingsdiscipline zoals die in het Stabiliteitspact is vastgelegd, dan zullen de financiële markten dat land onmiddellijk afstraffen door hogere rentepercentages te eisen. Hogere rente voor de overheidsobligaties van een land in de euro-zone blijft altijd mogelijk. “De markten zullen het niet accepteren als een land een loopje met de spelregels neemt”, voorspelt hij.

Hij geeft een voorbeeld. Stel dat Italië zijn overheidsktekort laat oplopen en meer staatsleningen moet uitschrijven. Dat zal de rente op Italiaans schuldpapier onmiddellijk fors omhoog drijven in vergelijking met de rente in andere euro-landen. Het besef dat er aanzienlijke renteverschillen mogelijk zijn, zal landen ervan weerhouden om over de schreef te gaan.

Markten, zegt Van den Brink, overdrijven altijd. Maar er gaat een zichzelf vervullende voorspelling van uit: “De geld- en kapitaalmarkten zijn rücksichtslos. Keihard. Dat is de aansporing om het nog beter te doen met de overheidsfinanciën dan je van plan was, om ongelukken te voorkomen. Ze vormen de beste incentive om je zaakjes nog beter op orde te hebben.” Hij besluit: “Het zijn harde en rauwe lessen - kijk maar naar wat er de afgelopen maanden is gebeurd in het Verre Oosten.” Dat werkt als een afschrikwekkend voorbeeld. Ook voor de toekomstige deelnemers aan de euro.