Die hoogste noten zijn mij te onpersoonlijk; Gesprek met de Koreaanse sopraan Sumi Jo

De Koreaanse sopraan Sumi Jo, een ontdekking van Herbert von Karajan, werd beroemd als Koningin van de Nacht in 'Die Zauberflöte'. Maar: “Ik kreeg er een beetje genoeg van om iedere keer als een opgetuigde kerstboom het toneel op te gaan. Het leven is al zo kort”.

Recente opera-opnamen met Sumi Jo: Alphonse Adam: Le Toréador. Decca 455 664-2; Richard Strauss: De Bürger Als Edelmann/Ariadne auf Naxos (eerste versie). Virgin Classics 7243 5 45111 2 7. Recitals: Bel Canto. Aria's van o.a. Rossini, Bellini, Donizetti en Verdi. Erato 0630-17580-2.; Sumi Jo sings Mozart. Erato: 0630-14673-2. De Matinee-opname van Hamlet van Ambroise Thomas is te horen op zaterdag 7 maart 19 uur op Radio 4.

Ze is klein, oogt fragiel, en als ze zingt zweven de noten hemelhoog boven haar uit. De Koreaanse sopraan Sumi Jo laat ijlheid samen gaan met warmte, adembenemende techniek met aandoenlijkheid. Van het vocale trapezewerk dat haar een wereldcarrière als coloratuursopraan heeft bezorgd, gaat een betovering uit die niet goed onder woorden te brengen valt. Er is schijnbaar achteloze virtuositeit, zuiverheid van haar hoge noten, en een warmbloedigheid die je met een veel lager stemtype associeert. Coloraturen klinken bij Sumi Jo als spontane barok, als werkelijke gevoelsuitingen - van welke gevoelens is onmogelijk te beschrijven. Want lieflijkheid, tederheid, speelse aanhankelijkheid zijn bij haar niet de bepoedersuikerde sentimenten van de operette: bij Sumi Jo klinken zulke lichtvoetige emoties authentiek.

Geen wonder dat ze, samen met dirigent Richard Bonynge, haar specialiteit gemaakt heeft van een genre dat al geruime tijd op de vuilnisbelt van de muziekgeschiedenis lag: de Franse, negentiende-eeuwse opéra-comique. Bijna vergeten opera's als Le Domino Noir van Auber en Le Toréador van Adam blijken in handen van Jo en Bonynge plotseling over een vitale charme te beschikken.

Ik spreek Sumi Jo tijdens de repetities voor de uitvoering van een ander Frans, negentiende-eeuws genrestuk: Hamlet, van Ambroise Thomas, waarmee ze vorige week in de Matinee op de Vrije Zaterdag - als Hamlets verstoten Ophelia - haar Nederlandse debuut maakte. Net als haar stem blijkt de zangeres zelf ook iemand om spontaan verliefd op te worden. Dat kan ook niet anders, want tijdens het gesprek wordt duidelijk dat ze haar stem ís: zangeres en zang vallen samen.

Concoursen

“Zingen is mijn leven geworden. Vrienden zeggen dat ik dat moet relativeren, dat ik ook nog een gewoon leven moet leiden, dat zingen niet alles is. Ik weet dat wel, maar ik kan het niet. Als ik 's ochtends merk dat ik mijn stem heb, is het alsof ik de hele wereld in mijn greep heb. Omgekeerd val ik onmiddellijk in een zwart gat, wanneer ik een paar dagen verkouden ben. Dan kan ik meteen helemaal niets meer, niet eten, niet praten. Vroeger was dat niet zo. Toen ik in Europa aan concoursen begon mee te doen en prijzen won, nam ik het allemaal niet zo serieus. Ik vond het leuk om mijn ouders mijn onafhankelijkheid te bewijzen, het prijzengeld kon ik goed gebruiken om van te leven. Tegenwoordig wordt alles bepaald door het zingen. Nu zing ik in Amsterdam, hierna ga ik in New York de rol van Olympia zingen in Offenbachs Les contes d'Hoffmann, dan vlieg ik naar Korea om voor de nieuwe president op te treden. Ik zou ook niet anders kunnen, maar tegelijk weet ik dat ik vroeger gelukkiger was, toen ik meer afstand had.”

Ze werd geboren in Seoul. Haar ouders, vertelt ze, waren zelf niet muzikaal, maar wel opera-gek. “Ze zetten 's ochtend om acht uur al een plaat van Guiseppe di Stefano en Joan Sutherland op, en dat ging door tot 's avonds laat.” Toen hun dochter amper kon praten, ontdekten ze al een zangeres in haar. “Op mijn vijfde zong ik al op concoursen. Vanaf mijn elfde kreeg ik serieus les en drie jaar later zong ik al La Bohème, Carmen, Butterfly. Ik was toen nog een mezzo-sopraan. Een carrière in Europa was voor mijn ouders onvoorstelbaar, maar toen ik achttien was, lieten ze me naar Italië gaan om te studeren. Daar ontdekte mijn lerares dat ik helemaal geen mezzo was, maar een coloratuursopraan. Drie maanden later kon ik de partij van de Koningin van de Nacht in Die Zauberflöte zingen. Dat ik daar zelf zo laat achterkwam, heeft denk ik te maken met een aversie die ik voelde tegen hoge noten pur sang. Ik luisterde naar platen van Joan Sutherland en hoe mooi ze ook zong, ik kreeg een onbehaaglijk gevoel van die allerhoogste, bijna onpersoonlijke noten. Het warme geluid van een mezzo deed me veel meer. Maar de aard van mijn stem is nu eenmaal anders.”

De man die haar ontdekte was Herbert von Karajan. Hij gaf haar eind jaren tachtig de rol van de page Oscar in Verdi's Un ballo in maschera, in zijn produktie voor de Salzburger Festspiele, maar hij overleed vlak voor de première. “Aan hem heb ik ongelofelijk veel te danken. Het feit dat hij me ontdekte, opende voor mij de deuren bij Covent Garden en de Metropolitan Opera in New York. Dat was opzienbarender dan het lijkt, want tegen een Aziatische zangeres werd toen nogal vreemd aangekeken. Zeker in Italië verwachtten ze niet dat een oosters meisje Lucia of Gilda zou kunnen zingen. In het begin keken vooral sommige regisseurs heel bedenkelijk wanneer ze mij zagen. Maar meer dan de afschrikwekkende grote maestro, was Karajan voor mij de grootvader die ik nooit gehad heb. Hij leerde mij Duits, ik ondersteunde hem bij het lopen. Samen met zijn chauffeur maakten we tochtjes, dat waren een soort familieuitjes. Hij was overal bij betrokken, niet alleen bij de muziek, maar ook bij het acteren, de kostuums. Op een dag kwam ik bij hem en trof hem erg afwezig aan. Hij zei me dat hij niet geslapen had en moeite had met ademhalen. Hij had een dokter laten halen. De volgende dag was hij dood.”

Karajan kon niet van haar stem afblijven. Zoals hij bij zoveel zangers voor haar had gedaan, probeerde hij Sumi Jo over te halen te zware partijen te zingen. “Hij wilde Norma met mij opnemen. Dat kon ik helemaal niet aan, en niet alleen vocaal niet. Ik was vijfentwintig, niet getrouwd, ik miste iedere persoonlijke ervaring om me werkelijk in die rol in te leven. Het was niet gemakkelijk om nee tegen hem te zeggen. Hij probeerde me te overtuigen dat het met hem, en wat technische hulpmiddelen, best zou lukken. Ik ben niet bang uitgevallen, hoor, wanneer ik voel dat iets tot mijn mogelijkheden behoort, durf ik alles, zoals de hondsmoeilijke partij van Zerbinetta in de eerste versie van Strauss' Ariadne auf Naxos. Die heb ik onder Kent Nagano opgenomen. Dat was een waagstuk. Als ik het nu terughoor, denk ik: dat lukt me nooit meer.”

Kerstboom

Niet bekend

Om goed te kunnen zingen, moet je ook goed kunnen leven, voegt ze er meteen aan toe. “Je kunt je stem ook niet scheiden van de manier waarop je leeft, dat geloof ik oprecht. Het publiek kan aan je stem horen wat voor iemand je bent, of je je verdiept in de wereld om je heen, of dat je aan de oppervlakte blijft. Je hoort of iemand gevoelige persoonlijkheid is, of hij ervaringen op zich in laat werken of niet. Ik wil me niet afsluiten voor de wereld om mij heen en tegelijk leid ik een leven dat geregeerd wordt door de agenda. Dat maakt het af en toe moeilijk.”

Ze zucht. “Ik zou me geen ander leven kunnen voorstellen, maar de eenzaamheid breekt me wel op. Altijd op reis, altijd ver van degenen die je dierbaar zijn. Amsterdam, New York, Korea, New York, Turijn, ik weet soms werkelijk niet in welke stad ik wakker word. Daarbij ben ik ook nog eens bang om te vliegen, bij ieder onverwacht geluid begin ik te bidden. Ik verlang naar een normaal leven, maar tegelijkertijd besef ik dat een zangeres geen normaal leven kan leiden.”

Zou ze ooit met plezier een intens slecht personage kunnen neerzetten? Het lijkt me ondenkbaar. Ze lacht een beetje aarzelend. “Jawel hoor. Maar om eerlijk te zijn, ik voel me meer verwant met Pamina dan met de Koningin van de Nacht. De meeste rollen die bij mijn stem passen, zijn inderdaad onschuldige heldinnen, die lijden voor de liefde. Dat zal geen toeval zijn.”