De mythe van Karel de Grote; De vele gedaanten van een middeleeuws heerser

Robert Morrissey: L'empereur à la barbe fleurie. Charlemagne dans la mythologie et l'histoire de France. Gallimard, 433 blz. ƒ 78,-

Wim van Anrooij: Helden van weleer. De Negen Besten in de Nederlanden (1300-1700). Amsterdam University Press, 328 blz. ƒ 49,50

In het jaar duizend van Christus' menswording speelden zich in de paleiskerk van Aken onheilspellende gebeurtenissen af. De Duitse keizer Otto III was naar de paltskapel gekomen om een bezoek te brengen aan het graf van een heerser die bijna tweehonderd jaar na zijn dood nog altijd ontzag inboezemde: Karel de Grote. Na enig speurwerk werd het graf gevonden. In Otto's gezelschap vertoefde ook de graaf van Lomello, die zich het voorgevallene later goed wist te herinneren. Zijn huiveringwekkende ervaringen vertelde hij een monnik die ze opschreef in de kroniek van het klooster.

'Wij bereikten het graf van Karel, waarboven een indrukwekkende dekplaat van kalk en marmer was aangebracht. We maakten er een gat in en gingen naar binnen. Karel bevond zich niet liggend in zijn graf, zoals bij andere doden het geval is, maar zat op een troon alsof hij nog in leven was. Hij droeg een gouden kroon en hield een scepter vast. Zijn handen waren bedekt met handschoenen, waar zijn nagels uitstaken. Toen wij dicht bij hem kwamen, roken wij een sterke geur. Wij zijn voor hem geknield en hebben meteen een gebed aangeheven. Keizer Otto heeft hem vervolgens witte gewaden aangedaan. Daarna heeft hij zijn nagels geknipt en alles wat rond hem was vergaan gerepareerd. Niets van zijn lichaam was door verrotting aangetast behalve zijn neus waaraan een stukje ontbrak en dat de keizer met goud heeft aangevuld. Otto heeft nog een tand uit de mond van de overledene getrokken. Voordat hij wegging heeft hij alles in oude staat hersteld.'

Dat men in Otto's tijd de precieze plek van het graf niet meer wist, is minder vreemd dan het lijkt. Waarschijnlijk was lang tevoren uit voorzorg voor invallen van de Noormannen de ingang tot het graf onvindbaar gemaakt. Dat hij de grafkamer bij zijn vertrek opnieuw verborgen hield, had een eigenaardiger reden. Otto III, die Rome als zijn residentie had gekozen, streefde naar een vernieuwing van het Romeinse rijk. In de verwerkelijking van dat ideaal vond hij een geestverwant in Karel de Grote, die de traditie van het keizerschap in het westen had gevestigd. Bij het herstel van de aloude Romeinse gewoonten liet Otto zich in Aken vermoedelijk leiden door de handelwijze van Romeinse keizers als Augustus en Caligula, die het graf van Alexander de Grote hadden laten openen. Bij de geestelijkheid schoten Otto's heidense praktijken echter in het verkeerde keelgat. Men kon dus maar beter doen alsof er niets was gebeurd.

Mythevorming

De opening van het graf van Karel de Grote werd in de vorige eeuw meer dan eens door Duitse kunstenaars in beeld gebracht. Wilhelm von Kaulbach maakte een monumentale schildering van het voorval voor het Germanische Nationalmuseum in Neurenberg. In 1962 werd de compositie onherstelbaar vermorzeld. Een fresco van Alfred Rethel, dat door oorlogsgeweld was beschadigd, kon daarentegen worden gered. In 1847 was de kunstenaar begonnen met Otto III. in der Gruft Karl des Groen. Het was een van de episoden uit het leven van Karel de Grote die het raadhuis van Aken moesten opluisteren. Het linkerdeel van het fresco wordt gedomineerd door Karel de Grote. In zijn handen houdt hij scepter en wereldbol. Naast hem hangen zijn zwaard en schild. Karels gezicht is met een sluier bedekt, zoals het linnen voor het tabernakel, dat aarde en hemel op symbolische wijze van elkaar scheidt. Op de grond liggen brokken steen die zijn weggehaald om het graf te kunnen bereiken. Niemand van het gezelschap durft de keizer in de ogen te kijken. Ook de levende keizer laat zijn hoofd zakken. Otto's vingers vormen een cirkel, een afspiegeling van de wereldbol die Karel in zijn handen houdt. De betekenis van het fresco is door Rethel zelf onthuld: Otto was op zoek gegaan naar grootse momenten en personen uit het Duitse verleden om het gekrenkte nationale gevoelen te doen herleven. Het werd natuurlijk tijd dat dit inzicht weer eens zou doordringen tot Rethels tijdgenoten.

Mythevorming rond de figuur van Karel de Grote is niet alleen voorbehouden geweest aan Duitsland of aan de vorige eeuw. Het goochelwerk begon eigenlijk direct al na Karels dood met zijn eerste biograaf: Einhard. Deze maakte van de Merovingische koningen een stel langharige lammeloten en van hun hofmeiers, voorzaten van Karel de Grote, onberispelijke workaholics. Dat de laatste Merovingische koning in een klooster werd opgesloten was zijn verdiende loon. Met deze voorstelling van zaken wilde Einhard de Karolingische machtshonger goedpraten.

Niet alleen Duitse keizers als Otto III, maar ook de Franse koningen oriënteerden zich op de legendarische keizer. De verschillende gedaanten die Karel de Grote in de Franse geschiedenis aannam, zijn in kaart gebracht door de Amerikaanse historicus Robert Morrissey. Legitimiteit van dynastiek gezag is niet alleen een probleem van moderne koningshuizen, maar was ook in de middeleeuwen een aanhoudende bron van zorg. Aantoonbare afstamming van Charlemagne kon hier een handje helpen. De Capetingische koning Filips Augustus was van moederszijde al geparenteerd aan de Karolingen. Toch vond hij het nodig Isabella, dochter van de graaf van Vlaanderen die zich eveneens op Karolingische afstamming kon beroepen, ten huwelijk te vragen. Hun beider zoon, de latere Lodewijk VIII, was zo langs beide lijnen een rechtgeaarde Karolinger. In deze tijd werd Karel een voorname plaats toegedicht in de epische wereld van de 'chansons de geste', waar hij van een Frankische keizer veranderde in een Franse koning. In het 'ontwakend nationaal' bewustzijn was Karels legende een waarachtige 'mythe-moteur'.

Barbarossa

Tegenover deze toenemende verfransing kon een reactie van Duitse zijde niet uitblijven. De handschoen werd opgepakt door Frederik Barbarossa. Hij wist de (tegen)paus over te halen om Karel heilig te verklaren. Na Otto III was het graf van Karel in vergetelheid geraakt en het kwam toevallig goed uit dat in een visioen aan Frederik de plaats van het graf werd geopenbaard. Eigenhandig verhief Barbarossa het gebeente van de heilige. In groten getale trokken pelgrims naar Aken en in opdracht van Barbarossa werd een imposant heiligenleven van zijn voorganger opgesteld.

Een dergelijke competentiestrijd herhaalde zich in de zestiende eeuw. Een fresco in de Camera dell'incendio in het Vaticaan toont de keizerskroning van Karel door paus Leo III op kerstdag van het jaar 800. De muurschildering werd gemaakt in opdracht van de eerzuchtige Medici-paus Leo X. Het gezicht van de kronende paus is dan ook dat van Leo X zelf. In 1515 had hij een bondgenootschap met de Franse koning Frans I gesloten. Beiden waren beducht voor de groeiende macht van de Habsburgers. Frans I bleef niet bij de pakken neerzitten en stelde zelfs pogingen in het werk het keizersschap te bemachtigen. Niet zonder betekenis zijn in de figuur van Karel de Grote de gelaatstrekken van de Franse koning weergegeven. Maar op de lange duur wist de Habsburger Karel V zich toch overtuigender als nieuwe Karel te manifesteren. Veelzeggend is de voorstelling op een kerkraam in de Sint-Goedele te Brussel waarop Karel de Grote zich beschermend achter zijn geknielde naamgenoot heeft opgesteld.

Ook na de Middeleeuwen werd Karels portret talloze malen overgeschilderd. Terwijl de Franse koningen zich vaker op klassieke voorbeelden als Hercules of Caesar richtten, werd Karel, vooral na de eerste kritische publicatie van zijn capitularia of verordeningen, door verlichte denkers als een constitutioneel monarch ontraadseld. En nog eenmaal speelde zijn graf een rol. Want voordat hij tot keizer werd gekroond maakte Bonaparte een plechtige tocht naar de grafstede in Aken. Later - toen de Fransen grote delen van Duitsland hadden overmeesterd - kwam de tombe in het Musée Napoleon' terecht.

Na de Frans-Duitse oorlog van 1870 was er geen plaats meer voor een geweldenaar die beide rijken had bestuurd. Wilhelm I liet zich niet in Aken, maar in Versailles kronen. En pas na lang gekibbel in de Parijse gemeenteraad kreeg een ruiterstandbeeld van de legendarische vorst domicilie op het plein voor de Notre Dame. Verscholen tussen het lover leidt het een onopgemerkt bestaan.

In de twintigste eeuw is de mythe verder verbleekt. In het aangezicht van Hitlers agressie zag de Britse historicus Arnold Toynbee in Karel 'the great Austrasian militarist' die de schim van het Romeinse rijk had nagejaagd en de wereld opgezadeld met een agressief waandenkbeeld. En Karel de Grote als 'vader van Europa' is een al even krachteloos als ongeïnspireerd beeld.

De rol die Karel in onze streken heeft gespeeld is minder bekend. Gedurende de middeleeuwen bestond een bijzondere band tussen de keizer en het hertogdom Brabant. Ondermeer in een vijftiende-eeuwse tekst, geschreven door een monnik van het Rooklooster (bij Brussel), heet Karel 'hertog van Brabant'. Die voorstelling van zaken kon ook politieke doeleinden dienen: de hertogen van Brabant en later van Bourgondië maakten op grond van deze afstamming aanspraak op de erfenis van Karels kleinzoon, het middenrijk Lotharingen. In hetzelfde handschrift is ook een miniatuur opgenomen waar hij als 'mantelheilige' wordt voorgesteld (een motief dat doorgaans voorkomt bij Maria en Ursula). Onder zijn uitgespreide mantel neemt Karel allerlei heiligen in bescherming. Dat Karel in onze gebieden werd vereerd blijkt ook uit de vondst van pelgrimstekens die bedevaartgangers als souvenir uit Aken meenamen en waarop Karel als heilige is afgebeeld.

In de Nederlanden bezat Karel ook enige populariteit als een van de 'Negen Besten', negen illustere figuren uit de wereldgeschiedenis. Over de Negen Besten-traditie in de Lage Landen in de periode 1300-1700 schreef de Leidse medio-neerlandicus Wim van Anrooij een studie. De negen staan afgebeeld op een miniatuur van omstreeks 1395. Van links naar rechts zien we Hector, Julius Caesar, Alexander de Grote (de drie heidenen), Jozua, David, Judas Maccabeüs (drie joden), Arthur, Karel de Grote en Godfried van Bouillon (drie christenen). Bekendheid kregen de negen door voorstellingen op prenten, aardewerk, meubelstukken en tapijten. Geregeld werden ze uitgebeeld in stedelijke optochten en representeerden dan het ideaal van de rechtvaardige vorsten. Op het thema van de Negen Besten verschenen allerhande variaties, zoals de 'Neuf preuses' (de negen beste vrouwen), de 'IX quaetsten' of de negen grootste drinkebroers uit het Oude Testament. Een improvisatie vormde ook de 'histoire des neuf rois Charles de France', een kroniek over negen Franse koningen met de naam Karel, te beginnen met Karel de Grote.

Gezien het naar verhouding grote aantal vroege teksten uit de Nederlanden houdt Van Anrooij het erop dat de Negen Besten-traditie hier is ontstaan. Een argument voor deze hypothese haalt Van Anrooij uit de heraldiek of wapenkunde. Vanaf de twaalfde eeuw kwamen wapens tot ontwikkeling om ridders beter van elkaar te kunnen onderscheiden. Ook aan personen uit een ver verleden kon een - verzonnen - wapen worden toegekend. Een veelvoorkomend fantasiewapen van Karel de Grote is een schild, waarop links een halve adelaar tegen een gouden achtergrond voorkomt en rechts een blauw veld bezaaid met 'fleur de lys'. Dit fabelwapen kwam als eerste voor in de Nederlanden. In deze vorm werd het in de Negen Besten-traditie overgenomen en hierin ligt een verder argument dat het genre in de lage landen is ontstaan. Van Anrooij meent zelfs de 'oertekst' te hebben gevonden. Dat zou het gedicht 'Van neghen den besten' zijn, dat hij vervolgens wat goedgelovig toeschrijft aan Jacob van Maerlant.

Republiek

In de periode van de Nederlandse Republiek lijkt Karel uit de gratie te zijn geraakt. Daarvoor zijn twee oorzaken aan te geven. Enerzijds wilde men in blijdschap om de net bevochten vrijheid niet weten van een vroegere afhankelijkheid ten opzichte van het Duitse keizerrijk waarvan Karel de verpersoonlijking was. Anderzijds speelde het protestantse karakter van de natie een rol. Luther had zich al kritisch uitgelaten over Karels keizerschap, dat zijn landslieden tot knechten van de paus had gemaakt. Nog in de negentiende eeuw meenden Leidse theologen dat Karel door zijn dienstbetoon aan de heerszuchtige geestelijkheid geen patroon van Nederland kon zijn.

Dat was wel anders bij Nederlandse rooms-katholieken. In 1851 schreef Alberdingk Thijm 'Het Voorgeborchte' waarin de dichter met Bilderijk als gids in het hiernamaals vele helden uit de geschiedenis ontmoet. Bij het zien van Karel de Grote wordt hem duidelijk hoe Nederland in de loop van tijd is afgegleden. Hier heerst het rijk van ontucht en wordt de Moederkerk vervloekt. Het is dan keizer Karel die pardoes op de knieën valt en voor ons 'arme Nederland' bidt. Katholieken lieten geen gelegenheid voorbijgaan aan te tonen dat zij goede Nederlanders waren en daarvoor werd ook het koningshuis ingezet. Bij het vijfentwintigjarige regeringsjubileum van koning Willem III in 1874 en in het kroningsjaar van Wilhelmina werd door vooraanstaande katholieken een stamboom aangeboden, die moest aantonen dat beide vorsten afstamden van Karel de Grote. Nog in 1962, met de oorlogsjaren vers in het geheugen, werd door de historicus L.J. Rogier, bij de onthulling van een ruiterstandbeeld van Karel de Grote te Nijmegen, het beeld van de ideale christen-heerser van stal gehaald. In de woorden van Rogier creëerde Karel het gunstig klimaat voor de prediking van het 'evangelie van recht en liefde en voor een wedergeboorte der beschaving na tijden van chaos en wreed geweld'.

Op eenzelfde grens van twee werelden preciseerde voordien de Franse schrijver Chateaubriand zijn gedachten over Karel de Grote en het verleden. In 1809 begon hij zijn ontroerende Mémoires d'outre-tombe. Daarin keert de schrijver terug naar Karels graf, naar de vijftiende eeuw. Van Otto III is geen sprake meer. 'Het kapittel van Onze Lieve Vrouw in Aken', schrijft Chateaubriand, liet rond het jaar 1450 het graf van Karel de Grote openen. 'Men vond de keizer als skelet gezeten op een vergulde troon. In zijn handen hield hij het evangelieboek geschreven in gouden letters. (...) Toen men de spookgestalte aanraakte, viel die in stof uiteen.' Chateaubriand had beleefd hoe de achttiende eeuw in haar revolutionaire apotheose het verleden had vernietigd. Geduldig verkende hij nieuwe wegen om het verleden te doorgronden. Een volte face naar het ancien régime was uitgesloten. Laten we de grootsheid van het verleden respecteren ... maar niet proberen naar voorbije eeuwen terug te keren, want zij hebben niets meer van onze werkelijke natuur, en als wij hen zouden willen grijpen, zouden zij als vanzelf verdwijnen.'

Alleen de onbevangen blik is in staat de voorbije wereld te conserveren. Het verleden willen aanraken is het verwoesten.