De krijgsheren van Somalië zijn uitgestreden

Zeven jaar na het uitbreken van de burgeroorlog hebben de krijgsheren van Somalië hun clangebieden afgebakend en ontstaat een nieuwe vredeswil.

NAIROBI, 20 FEBR. Het laatste akkoord voor Somalië is op sterven na dood, maar niet het vredesproces. Na 40 dagen onderhandelen sloten 26 Somalische facties eind december in Kairo een overeenkomst. Een vredesconferentie in de Zuid-Somalische stad Baidoa zou vervolgens tot een overgangsregering moeten leiden. Nieuwe onenigheid tussen de facties maakte de kans dat deze conferentie op 15 februari zou beginnen klein. Daarop besloot eerder deze maand de krijgsheer Hussein Aideed zijn troepen niet uit Baidoa terug te trekken, zoals was afgesproken, waarop de andere facties weigerden naar Baidoa te komen.

Het mislukken van de conferentie in Baidoa betekent vermoedelijk geen zware tegenslag in het vredesproces. Waarnemers in Nairobi, de uitkijkpost voor diplomaten en hulpverleners die werkzaam zijn in Somalië, geloven dat er een nieuwe wil bestaat om vrede te stichten. Het conflict in Somalië lijkt in een nieuwe fase gekomen: de burgeroorlog is goeddeels voorbij, de clan- en militieleiders verliezen aan invloed en pogingen om vrede te stichten krijgen weer prioriteit. Voor het eerst sinds de soldaten van de Verenigde Naties zich in 1995 uit Somalië terugtrokken, is er bovendien sprake van grote diplomatieke activiteit rond het land.

Zeven jaar na het uitbreken van de burgeroorlog is het land ruwweg opgedeeld tussen clans en subclans. Er bestaat geen centrale regering meer, behalve voor het noordwesten, waar de republiek Somaliland haar onafhankelijkheid uitriep. De clanmilities, aangevoerd door krijgsheren, heersen in hun respectieve gebieden. De hoofdstad Mogadishu wordt gecontroleerd door ten minste drie milities van verschillende subclans. De Somalische krijgsheren zijn min of meer uitgestreden, de clangebieden zijn afgebakend.

Na het vertrek van de VN-troepen in 1995 als gevolg van de zware bloedneus die het Amerikaanse leger het jaar ervoor in Mogadishu had opgelopen, trok de internationale gemeenschap haar handen af van Somalië. Vooral de buurlanden Kenia en Ethiopië bleven uit eigen belang geïnteresseerd in een oplossing. Beide landen hebben baat bij een stabiel Somalië, want op hun grondgebieden leven grote groepen etnische Somaliërs. Een Keniaans vredesinitiatief mislukte waarna Ethiopië, met een mandaat van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, de fakkel overnam.

In de Ethiopische stad Sodere slaagden eind 1996 27 Somalische politieke groepen erin een overeenkomst te sluiten. Eén van de militair sterkste groepen, die van Hussein Aideed (zoon van de in 1996 gesneuvelde Farad Aideed), deed echter niet mee. Tot ergernis van Ethiopië gingen vervolgens ook Egypte, Italië en sinds kort ook Libië eigen initiatieven ontwikkelen. Egypte slaagde er in Kairo in een akkoord tussen 26 groepen, inclusief die van Aideed, te bewerkstelligen. Deze vredesovereenkomst kreeg de zegen en financiële steun van de Arabische Liga.

De eenheid die de facties toonden bij de ondertekening van het akkoord van Kairo leidde vrijwel onmiddellijk tot onenigheid binnen de facties zelf. Het nooit stabiele mozaïek van clanallianties ging er opnieuw anders uitzien. Enkele leiders van de overkoepelende groep van Darod-clans in het noordoosten en het zuidwesten trokken hun steun in. De concurrerende groep van Hawiye-clans daarentegen sloot zich dit keer voor het eerst wel aan. De Hawiye-clans heersen in Midden-Somalië en in Mogadishu. Vooral in de hoofdstad zijn er aanwijzingen dat de verscheidene Hawiye-milities gaan samenwerken. Er werd bijvoorbeeld een overeenkomst bereikt om het vliegveld en de havens te heropenen die jarenlang gesloten bleven door gevechten tussen subclans van de Hawiye.

De verschillende vredesakkoorden hebben de vorming van een centrale regering als doel. Op korte termijn echter is het heel wel mogelijk dat Somalië officieel wordt opgedeeld in de facto republieken van de Darod en de Hawiye en van enkele kleinere clangroepen. Volgens Somalië-experts is dit als tussenoplossing geen slechte zaak. De sterk individualistisch ingestelde Somaliër wantrouwt een gecentraliseerde staatsstructuur en identificeert zich vrijwel exclusief met zijn clan en subclan. De oorlog in Somalië was bovenal het gevolg van de mislukte pogingen sinds de onafhankelijkheid om het land een centralistische staatsstructuur op te leggen die haaks staat op de Somalische tradities.

Belangrijker dan overeenstemming tussen de clanleiders over een centrale regering is het uitwerken van een nieuw bestuursconcept voor het land, menen waarnemers. Leiders hebben altijd geprobeerd het staatsapparaat te monopoliseren voor hun eigen clan. Onder de in 1991 verdreven president Siad Barre plukten de Darod alle vruchten, daarna probeerde Farah Aideed namens de Hawiye alle macht naar zich toe te trekken. De Somalische militieleiders volgen nog immer dezelfde politiek: ze streven naar exclusieve controle over het staatsapparaat. Dit beleid bewerkte de ondergang van de staat en zal dus ook niet tot een duurzaam vredesakkoord kunnen leiden.

Veel belangrijker voor een duurzame vredesregeling is niet wie het staatsapparaat gaat leiden, maar hoe een nieuwe staatsstructuur er uit zal zien. Volgens het akkoord van Kairo wordt het land opgedeeld in clan-deelstaten, naar het voorbeeld van het etnische federalisme in Ethiopië. Een ander belangrijk probleem is hoe bezittingen moeten worden verdeeld. In Mogadishu, dat na de overname door de Hawiye zijn multi-clankarakter van vroeger verloor, staan vele gebouwen van Darods die deze blijven opeisen. In de zuidelijke valleien rond de rivieren de Shabele en Juba verloren minderheidsgroepen hun landbouwgronden als gevolg van diefstal door rivaliserende clans. Over deze onderwerpen, evenals over de vraag of clanleden zich in andere clangebieden mogen begeven en onder welke voorwaarden, hebben de militieleiders vooralsnog niet willen praten.

'Aideed is een schurk, maar hij is tenminste onze schurk.' Volgens deze filosofie steunden Somaliërs tot voor kort de leider van hun respectievelijke clans. De afgelopen jaren hebben de clan- en militieleiders echter aan invloed ingeboet. Ze bleken niet of nauwelijks in staat orde te vestigen in de gebieden die ze controleren en ook zetten ze geen besturen en sociale voorzieningen op. Somalische burgers begonnen daarom alternatieve bestuursstructuren te creëren en deze werken steeds beter. Deze positieve ontwikkeling werpt de vraag op of alle clanleiders nog wel over het vermogen en de legitimiteit beschikken om gesloten akkoorden werkelijk uit te voeren in hun gebieden. Anderzijds kan een geslaagd nationaal akkoord hun autoriteit juist versterken.

Daarom, zo zeggen waarnemers, moet er een allesomvattend akkoord komen, niet slechts een machtsdeling tussen de clan- en militieleiders. Een te snel en een te beperkt akkoord zal averechts werken. “Als er nu al een nationale overgangsregering wordt gevormd, werkt dat destabiliserend”, aldus een Somalië-expert. “Daarvoor is het te vroeg. De vorming van een nationale regering zal de verdeeldheid onder Somaliërs in de hand werken.”