Ambtenaren, burgers en de jodenvervolging; Hitlers succes in Holland

Bob Moore: Slachtoffers en overlevenden. De nazi-vervolging van de joden in Nederland. Vertaald door Rob Kuitenbrouwer (Victims and Survivors. The Nazi Persecution of the Jews in The Netherlands, 1940-1945), Bert Bakker, 389 blz. ƒ 49,90

Het publieke beeld van de oorlogsjaren in Nederland vertoont duidelijke breuklijnen. De eerste decennia na de bezetting stonden in het teken van een klein land dat slachtoffer werd van een Duitse overmacht. Geleidelijk kwam de jodenvervolging in het centrum van de waarneming te staan. Eerst nog als een tragedie die het nationale lot als het ware uitvergrootte: de Nederlanders waren slachtoffer en de joden onder hen wel in het bijzonder. Maar later werd deze vereenzelviging doorbroken. De vraag drong zich op naar de rol van de Nederlandse samenleving in de ondergang van de joodse gemeenschap. Beetje bij beetje bladderde het overgeleverde beeld af.

Deze verandering werd ook vijftig jaar na het einde van de oorlog door het staatshoofd heel behoedzaam verwoord. 'Voor een juiste beeldvorming kan niet worden verhuld dat naast moedig optreden passief gedrag en actieve steun aan de bezetter zijn voorgekomen'. Op dat ene zinnetje in de Ridderzaal hadden er nog wel een paar mogen volgen, want het is meer dan onzeker of deze herwaardering werkelijk in de herinnering is bezonken.

De angst dat met het uitsterven van de direct betrokkenen de aandacht voor de oorlogsjaren zou verflauwen, wordt ondertussen niet bewaarheid. Nieuwe generaties van onderzoekers nemen het woord. Een van hen is de Britse historicus Bob Moore, wiens boek Victims and Survivors (1997) vorige week in een Nederlandse vertaling verscheen.

Moore verbergt geenszins dat hij schatplichtig is aan de 'grote drie': Herzbergs Kroniek, Pressers Ondergang en De Jongs Koninkrijk. Bescheiden formuleert hij zijn doel: 'het debat te actualiseren en een synthese te geven van de meer recente studies'. En inderdaad, daar ligt één van de grote verdiensten van dit boek. Het geeft een helder overzicht en een evenwichtige beoordeling van de jodenvervolging in Nederland ten tijde van de Duitse bezetting. Veel nieuwe gegevens moet de lezer daarbij niet verwachten, wel een zorgvuldige weging van de vele vragen die de jodenvervolging in Nederland opwerpt.

De toon van Moore is niet zozeer nuchter alswel terughoudend. De titel Slachtoffers en overlevenden is enigszins misleidend, want Moore schrijft over allen die in dit drama verwikkeld waren: slachtoffers, daders en omstanders. Bovendien schrijft hij niet vanuit het gezichtspunt van het slachtoffer. Hij klaagt niet aan en brengt zijn betrokkenheid op een indirecte manier onder woorden. Daarmee verliest zijn relaas tegelijk de lading die besloten ligt in de zinnen van Presser: 'Voor wie zelf een schipbreuk heeft overleefd, zal het getal der verdronkenen altijd meer wezen dan enkel een getal'. Soms bekruipt de lezer het gevoel dat Moore, om maar wetenschappelijke distantie te bewaren, weinig gebruik maakt van persoonlijke getuigenissen. Met een nadere omschrijving van de gemoedsrust van de betrokkenen had zijn relaas niets aan objectivering verloren en aan zeggingskracht kunnen winnen.

Drie fasen

Zijn chronologische indeling ontleent Moore aan Presser en De Jong. De drie 'fasen' van de ondergang van het jodendom in Nederland komen uitgebreid aan de orde: de 'identificatie' (mei 1940-januari 1941), de 'isolatie' (januari 1941-juli 1942) en de 'deportatie' (juli 1942-september 1943). De laatste fase, het einde van de degenen die zijn weggevoerd, valt buiten het bestek van zijn boek, dat ophoudt aan de grens.

Stap voor stap reconstrueert hij de administratieve omsingeling van de Nederlandse joden, te beginnen bij de uitsluiting van joden bij de luchtbescherming op 1 juli 1940 via maatregelen als het weren uit dansclubs op 7 november 1941, de invoering van de jodenster voor personen en woningen op 3 mei 1942, het bevel van 17 juli in hetzelfde jaar dat joden enkel nog boodschappen mogen doen tussen 3 en 5 uur 's middags, tot aan het besluit op 15 mei 1943 dat gemengd gehuwde joden de 'keuze' krijgen tussen deportatie en sterilisatie.

Het hele proces van losweking uit de Nederlandse samenleving tot aan de deportatie ontrolt zich nog eens in al zijn gruwelijke precisie. Tegelijk maakt deze studie aannemelijk dat ook degenen die verantwoordelijk waren voor het bezettingsregime in Nederland niet wisten waarop het allemaal zou uitlopen. Moore laat goed zien hoe de Duitse gezagsdragers als Böhmcker, Rauter, Aus der Fünten, Fischer, Seyss-Inquart en Lages onderling verdeeld waren.

Slachtoffers en overlevenden biedt een zorgvuldige chronologische beschrijving, maar het gaat Moore uiteindelijk om een vergelijkend onderzoek. Waarom zijn er in Nederland verhoudingsgewijs zoveel joodse burgers om het leven gekomen? De cijfers zijn bekend en bieden een pertinente uitnodiging tot (zelf)onderzoek. Terwijl in Nederland ongeveer driekwart van de joden omkwam, was dat in België veertig procent, in Frankrijk één kwart van de joodse bevolking en in Denemarken niet meer dan twee procent. Nederland is het enige Westeuropese land waar de joodse gemeenschap is vernietigd in een mate vergelijkbaar met de Oosteuropese landen.

Deportaties

In de tijd is een deel van het verschil tamelijk goed te markeren. In de maanden maart tot en met juli 1943 stonden de transporten uit België en Frankrijk naar Auschwitz vrijwel stil, eerst omdat voorrang werd gegeven aan de joden uit Thessaloniki en daarna wegens een tyfus-epidemie in het kamp. Onderwijl gingen de deporaties uit Nederland gewoon door, nu richting Sobibor. In deze maanden kwamen 35.000 Nederlandse joden om. Maar waarom reden de treinen juist vanuit Nederland door? En meer in algemene zin: vanwaar die enorme verschillen in overlevingskansen, wat was de specifieke kwetsbaarheid van de joodse bevolking in Nederland?

Moore oppert dat de verzuiling van de Nederlandse samenleving een marginalisering van de joden tot gevolg had. Hoewel sommige individuele joden verbonden waren met een van de twee niet-godsdienstige zuilen, had de verzuiling tot gevolg dat er ondanks de assimilatie een behoorlijke afstand bestond ten opzichte van de joodse gemeenschap. Dat zou de doorgaans onverschillige reactie op het lijden van de joodse inwoners in Nederland kunnen verklaren. Waarom waren er zo weinig helpers toen de nood het hoogst was? Moore schrijft: 'Mensen waren enerzijds bang voor de zware straffen die de Duitsers hadden gezet op het helpen van joden, en anderzijds beschouwden ze joden als vreemdelingen die hun ongeluk over zichzelf hadden afgeroepen of het verdienden'. Het antisemitisme mag in Nederland dan niet zozeer een georganiseerde en open vorm hebben aangenomen, het speelde wel een rol in het verzuilde Nederland.

De neutraliteit was één van de oorzaken dat zo weinigen voor de Duitse inval of vlak daarna een veilig heenkomen zochten. Men suste zich in slaap of zoals Herzberg schreef 'een beetje biddend en een heleboel hopend, met een kloppend hart en gesloten ogen'. Slechts weinig mensen waren mentaal voorbereid op deze slag. In de dagen na de bezetting was er een ware zelfmoordepidemie. Op de joodse kerkhoven vindt men een groot aantal grafstenen met de datum 15 mei of kort daarna. In de graven lagen soms hele gezinnen.

De boodschappers van het onheil, de Duitse vluchtelingen die vanaf 1933 kwamen, konden hier niet op een warm onthaal rekenen. De verhouding tussen Nederlandse en Duitse joden was slecht. Het algemene beleid van de regering om zo terughoudend mogelijk te zijn bij de opvang van vluchtelingen uit het Oosten, kon overwegend op instemming van joodse zijde rekenen. Het argument dat een toevloed van vluchtelingen het antisemitisme in Nederland zou aanwakkeren heeft volgens Moore zeker een rol gespeeld, maar hij zegt niet te weten inhoeverre die angst was gerechtvaardigd. Op andere plaatsen is hij minder voorzichtig en wijst hij op antisemitisme in het vooroorlogse Nederland.

De opvang was geen schoolvoorbeeld van gastvrijheid, al was het maar omdat de joodse gemeenschap zelf voor de kosten van de 'huisvesting' in Westerbork moest opdraaien. De keuze voor een plaats van een opvangkamp zo dicht bij de Duitse grens was in strijd met alle logica. Elders kan men lezen dat deze beslissing mede tot stand kwam na protest van Wilhelmina die de aanvankelijke lokatie in de gemeente Ermelo te dicht in de buurt achtte - namelijk op twaalf kilometer afstand - van haar buitenverblijf het Loo. Een wrange anekdote, die niet op zichzelf staat.

Een mogelijke verklaring voor het geringe aantal joodse overlevenden is de aard van het bezettingsregime. Nederland had een burgerregering onder Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart; een bewind dat vooral van het militaire bestuur in België en Frankrijk verschilde door de ruimte die het de SS, de Duitse politie en de NSDAP bood om ongehinderd hun raciale doelstellingen na te jagen. Kortom, de positie van de militairen vormde in Nederland veel minder een tegenwicht dan in België en Frankrijk.

Daarmee komt Moore in de buurt van één van de conclusies die Nanda van der Zee trekt in haar boek Om erger te voorkomen. Hij wijdt geen woord aan de vlucht van Wilhelmina, maar merkt wel op: 'Anders dan in Nederland kon het bestuur in België nog steeds een beroep doen op de Kroon en op overwegingen van competentie en soevereiniteit om een tegenwicht te bieden tegen Duitse eisen'. Hij had wellicht nog beter het Deense voorbeeld kunnen aanhalen. In ieder geval wordt zo de indruk versterkt dat de Duitsers in Nederland bij de jodenvervolging een vrijere hand hebben gekregen dan nodig was. Wat in het landsbelang werd geacht, diende vaak niet het belang van de joodse gemeenschap.

Ambtenarij

Van groot belang is daarbij de opstelling van de Nederlandse ambtenarij geweest. De Duitsers kregen een volledig en geolied overheidsapparaat in de schoot geworpen. Het college van secretarissen-generaal leverde vanaf het begin een 'achterhoedegevecht', als de term gevecht hier überhaupt op zijn plaats is. In navolging van Presser en anderen beschouwt Moore het feit dat ze zich nauwelijks hebben verzet tegen de Duitse maatregelen als een capitulatie. Die buiging voor het nieuwe gezag was een desastreus voorbeeld voor andere instanties in hun houding ten opzichte van de joden. 'Het zou verkeerd zijn de Nederlandse ambtenaren van alle schuld vrij te pleiten op grond van hun traditionele eerbied voor gezag en hun 'correctheid' in de omgang met de Duitsers'.

Het blijft onthutsend om te lezen hoe het ontslag van de joodse president van de Hoge Raad, mr Lodewijk Visser, met twaalf tegen vijf stemmen door zijn collega's werd goedgekeurd. Of hoe de Nederlandse politie, anders dan bijvoorbeeld de Franse, medewerking verleende bij de arrestatie van joden. Of hoe Jacob Lentz als hoofd van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters zeer actief bijdroeg aan een fraudebestendige bevolkingsregistratie. De vele grote en kleine symbolen van ambtelijke meegaandheid wettigen de conclusie, dat in onderscheid tot Frankrijk en België, de Nederlandse bureaucratie vrijwel nooit heeft geprobeerd om het de bezetters moeilijk te maken. De ambtenaren lieten volgens Moore 'de principes van bestuurlijke en openbare orde boven alle andere overwegingen prevaleren'.

Op de verantwoordelijkheid van de door de Duitsers geïnstigeerde Joodse Raad gaat de auteur heel uitvoerig in. Deze Raad, een unicum in West-Europa, stond onder voorzitterschap van Asscher en Cohen. Hun pogingen om door middel van samenwerking met de bezetter zoveel mogelijk joden van deportatie te vrijwaren mislukte uiteindelijk jammerlijk. En altijd was er het wanhopige argument dat het weigeren van medewerking niets zou uithalen en de positie van de overgeblevenen zou schaden.

Moore schildert precies hoe het hele systeem van 'vrijstellingen' werkte. Aanvankelijk kreeg de Raad 17.500 vrijstellingsstempels ter verdeling toegewezen. Dat aantal werd stap voor stap teruggebracht, en de Raad moest telkens weer kiezen wie mocht blijven en wie weg moest. Wat uiteindelijk overbleef was de zelfbescherming van een elite. Moore's uiteindelijke oordeel over de betekenis van de Joodse Raad is tegenstrijdig. Aan de ene kant zegt hij dat de Raad 'slechts van ondergeschikt belang (was) voor de uitvoering van de Endlösung'. Maar elders oordeelt hij toch: 'de Joodse Raad heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het 'succes' van de Duitsers in het onderscheiden, isoleren en vervolgens deporteren van joden uit Nederland'.

Geografie

Een traditioneel 'excuus' voor het hoge aantal slachtoffers in Nederland is vaak gezocht in de Nederlandse geografie: weinig dun bevolkte gebieden, een vlak land, veraf van neutrale toevluchtsoorden. Dat alles zou het onderduiken en vluchten hebben bemoeilijkt. Moore kent het argument, maar is niet onder de indruk. Hoe komt het dan dat er zoveel niet-joodse onderduikers waren? Naar schatting honderdduizenden hebben op die manier de oorlog overleefd en daarvan was slechts een klein deel joods. Wel is het waar dat de organisatie van de onderduik pas goed op gang kwam toen de deportatie al goeddeels was voltooid.

Zo wordt het massieve beeld van de bezetting verder opengebroken en worden vrijheidsgraden zichtbaar die de Nederlandse politici, ambtenaren en burgers bezaten, maar van hoog naar laag niet gebruikten. Hoe al deze oorzaken onderling gewogen moeten worden is niet precies te zeggen, maar in hun samenhang ontstaat toch een redelijke verklaring van Hitlers succes in Holland.

Moore's slotsom komt hard aan: 'Het lot van de gedeporteerden liet de meeste mensen tamelijk onverschillig, misschien omdat iedereen zijn eigen ervaringen had met de bezetting en zijn eigen verhaal van ongemak en ontberingen. (...) Tot op zekere hoogte zou men kunnen volhouden dat de jodenvervolging weinig effect heeft gehad op de Nederlandse samenleving. (...) Men bleef dezelfde maatschappelijke en religieuze vooroordelen tegen de joden ventileren, ook al waren ze bijna niet meer te vinden in Nederland'.

Dat oordeel beklijft. De stilte van de eerste naoorlogse jaren, waarover zovelen hebben bericht, is vervlogen. Maar de jodenvervolging is, in weerwil van de vele, vele woorden die sindsdien zijn gesproken, een gebeurtenis gebleven aan de rand van de samenleving. En ondanks het schuchtere zelfonderzoek blijft de vraag doorzeuren in hoeverre de jodenvervolging werkelijk in de herinnering is bezonken.

Hoe kan het dat ons zelfbeeld, gebouwd rond veronderstelde deugden als tolerantie, tamelijk ongeschonden de bezettingsjaren heeft overleefd? In die jaren is toch voor een ieder zichtbaar geworden hoe tolerantie voor velen onverschilligheid bleek te zijn, hoe de hang naar consensus toch vooral volgzaamheid werd jegens de bezettende mogendheid en hoe een gelijkheidsideaal niet opgewassen bleek tegen de degradatie van met name joden tot tweederangsburger of minder.

Huizinga schreef het betrekkelijk milde karakter van de Nederlandse samenleving toe aan een 'goedgunstig lot' en niet zozeer aan 'eigen verdienste'. Die relativering, in zijn studie Nederland's geestesmerk (1935), wordt bevestigd door de oorlogsjaren: de nationale deugden verongelukten prompt, toen het lot een ongunstige wending nam.