Actievoerders hadden zich voorbereid; Debat met Albright was een 'gouden kans'

Spreekkoren en vijandige vragen veranderden een bijeenkomst aan Ohio State University over Irak met Amerikaanse beleidsbepalers in een (door de Iraakse tv overgenomen) mediadebacle voor de regering. “Het was een gouden kans”, zegt een actievoerder.

WASHINGTON, 20 FEBR. Een dag na zijn gepeperde woordenwisseling met Madeleine Albright, tijdens een openbaar debat over de crisis in Irak, stond Jon Strange (22) alweer voor de klas. Hij is onderwijzer in de Amerikaanse stad Columbus, in Ohio. Maar hij is ook tegenstander van militaire actie tegen Irak. De hele wereld kon dinsdag op de televisie zien hoe Strange en enkele geestverwanten Albright en haar collega's Cohen en Berger in verlegenheid brachten, met kritische vragen over het Amerikaanse optreden in Irak.

“Het was een gouden kans”, zegt Strange in een telefonisch vraaggesprek. “Toen we zondag hoorden dat de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Defensie en de Veiligheidsadviseur naar Colombus zouden komen, beseften we dat we die gelegenheid niet mochten laten lopen. De opzet van de organisatoren was natuurlijk om van die town hall meeting een brave CNN-uitzending te maken, waarin de regering haar standpunt kon aanprijzen. Het verbaasde me dat ze ons zoveel aan het woord lieten.”

Strange ging niet onvoorbereid naar het basketbal-stadion van Ohio State University waar de bijeenkomst plaatshad. Hij had zondagavond met enkele vrienden van de lokale actiegroep Anti Racist Action de koppen bij elkaar gestoken, om een paar vragen voor de bewindslieden op papier te zetten. “Die vragenlijst verspreidden we dinsdag onder het publiek, en vooral onder de mensen die rode kaartjes hadden, dat wil zeggen: die dicht bij het podium zaten en vragen mochten stellen. We hadden erboven gezet: Vragen Die Je Waarschijnlijk Niet Zal Kunnen Stellen. Maar dat pakte anders uit.”

Strange zat hoger op de tribune, vlakbij de luidruchtige groep die Albright en haar collega's het spreken af en toe onmogelijk maakte. Hij zegt dat hij zelf niet heeft meegejoeld, maar neemt het wel voor de herriemakers op. “Als zij stil waren geweest, had ik nooit het woord gekregen. Iemand van CNN kwam naar ons toe om het rumoer te sussen. Hij stelde voor dat een van ons een vraag mocht stellen als het geschreeuw ophield. Omdat ik een das aan had, leek ik een redelijke keuze.”

Strange vroeg aan Albright onder andere waarom de Verenigde Staten Irak aanpakken, maar andere landen die de mensenrechten schenden met rust laten. Toen ze antwoordde dat het haar verbaasde dat “mensen het nodig vinden om het op te nemen voor Saddam Hussein”, reageerde Strange: “U beantwoordt mijn vraag niet, madame Albright”.

“Dat was een vuil trucje van haar”, zegt hij nu. “Ik nam het helemaal niet op voor Saddam Hussein. Nogal neerbuigend zei ze ook dat ze als voormalig hoogleraar graag vijftig minuten zou uittrekken om ons het Amerikaanse beleid nog eens haarfijn uit te leggen. Maar na afloop was ze meteen vertrokken.”

Jon Strange beschouwt zich niet als een echte actievoerder, al is hij wel al jaren actief in wat hij noemt “radicale organisaties”. Zijn antiracismegroep houdt zich vooral met lokale kwesties bezig. “Ik hoor bij de groep die hierover pas is gaan nadenken nu zich de dreiging van een oorlog aandient. Ten tijde van 'Vietnam' was ik nog niet geboren. Maar tegen de eerste Golfoorlog zat ik op high school, en toen heb ik gedemonstreerd.” Deze week heeft hij met een paar vrienden een nieuwe club opgericht, de Columbus Coalition for a Democratic Foreign Policy.