Werk van 20ste-eeuwse componisten in het Concertgebouw; Een kangoeroe springt door de registers

Concert door Asko Ensemble o.l.v. Oliver Knussen. Werken van Ives, Nancarrow, Carter en anderen. Gehoord 18/2 Concertgebouw Amsterdam.

Charles Ives verwerkt in The gong on the hook and ladder, uitgevoerd in de serie Tijdgenoten in het Concertgebouw, het brandalarm. In From the Steeples zijn het kerkklokken die waarschuwen voor de vlammen die in het nachtelijke duister afdalen vanuit de bergen. En in The gong schildert hij de jaarlijkse parade van de Volunteer Fire Company in een enigszins baldadige sfeer, zij het in de eerste plaats spanningverwekkend. Sterker, het is angstaanjagende om niet te zeggen apocalyptische muziek, die nogal bruusk verloopt, alsof de componist schrok van de door hemzelf opgeroepen krachten. Het baldadige schuilt in de alarmklok op het achterwiel van de wagen, die uit de maat loopt met de muziek van de band als een heuvel wordt genomen.

Ook Carter en Nancarrow zijn uit op asymmetrische bewegingsvormen, maar ze maken toch een logische indruk. Want Oliver Knussen dirigeert zonder omhaal en precies, hij is in staat als het ware met de componisten mee te denken.

Elliott Carter werd door Ives, zijn buurman in de jaren twintig aangemoedigd door te gaan met componeren. Hoewel hij in een aanbeveling nadrukkelijk Carters gevoel voor humor vermeldt, moet Carter niets hebben van burlesk aangezette stukken zoals genoemde brandevocaties. Hij is veel Europeser, ernstiger, doorwrocht en verantwoording afleggend. Met name het prachtige Double Concerto, ook nu weer met gemak het hoogtepunt van de avond, heeft een hoge abstracte uitstraling. Het ontstond uit een opdracht voor een werk voor clavecimbel en piano. Vervolgens voegde Carter slagwerk zonder vaste toonhoogte toe, van waaruit de solo-instrumenten hun eigen klankkarakter vinden. Ten slotte gaf hij elk een eigen groep van instrumenten met vaste toonhoogte mee. In het begin van de coda plaatste hij een gong-'crash', waarvan de resonantie in die instrumentengroepen uitgewerkt werd om uiteindelijk in het kale geluid van het slagwerk te worden geabsorbeerd. Dit plan werd met veel fantasie uitgewerkt.

Nog voor de pauze-gong klonkt tevens Carters recente Clarinet concerto, eveneens zevendelig en eveneens een studie in grijzen en in kleuren. De solist beweegt als in Boulez' Domaines zich van de ene groep naar de andere. Op zichzelf is het fraaie muziek, maar de opwinding van de jaren zestig is geheel verdwenen. Het biedt een te eenzijdig virtuoze conceptie, overigens wist solist Michael Collins al de kangoeroe-sprongen door de registers heen moeiteloos te realiseren. Er zijn wel enkele reflectieve delen, maar die maken een ongeïntegreerde indruk. Het Doubleconcerto is minder luisterrijk en 'perfect' geïnstrumenteerd, maar dat houdt de spanning beter vast. Hierin trof vooral de zowel virtuoze als elegant-expressieve bijdrage van pianist René Eckhardt. Dan waren er nog avant-garde werken uit het eind van de jaren twintig en dertig van Wallingford Riegger en Ruth Crawford-Seeger: dissonantrijk en atonaal, maar romantisch van gestiek, zoals een raket in een boek van Jules Verne met 19e-eeuwse decoratie. En wat Conlon en Nancarrow betreft, hun Pieces for Chamber orchestra betreft kun je het beste in een witte smoking dirigeren: het is uitgeschreven jazzmuziek.