Trou moet blijcken

Koos Geerds (geb. 1948).

Vlo

Vlo, verre vlo, sinds jij de show verliet

zweeg het orkest in het theater stil

mist zonder oorzaak en gevolg de wil

de weg de wet van dans en levenslied

(ach vlo, ik weet jij schuilt in het gordijn;

daar zijn ook harlekijn, pierrot en maan-

licht schijnt op rodica en dodica

die treuren om de trekharmonica

daar reikt een slanke dodezwarte zwaan

de hals naar dingen die niet mogen zijn)

te vinden, of jij ons voorgoed verstiet.

Ik zou willen hopen. 't Is hier zo kil.

Soms denk ik in de coulissen een pril

geritsel, muziek te horen. 't Is niets. Het verlangen naar vlo. Meteen aan het begin al van het gedicht is daar die roep en die hunkering. Vlo! het is de O! van de vocatief. Vlo, verre vlo - het is duidelijk dat de vlo er niet meer is.

Het vlooientheater mist zijn voornaamste attractie. De show verlaten, het heeft iets van verraad. Show rijmt niet langer op vlo.

Dan moet de dichter zelf maar springerig zijn. Koos Geerds doet in de regels daarop zijn best ons op het verkeerde been te zetten. Mist zonder oorzaak en gevolg, denk je dat er in de derde regel staat. Geen hand voor ogen te zien. Het kan. Maar dat het orkest de wil mist kan ook. Of dat de wil iets mist.

De wil de weg, lees je. Waar een wil is is een weg, denk je. Het kan. Maar dat de wil wordt gemist om de weg te vinden kan ook. In dat geval moet je de haakjes overspringen om 'te vinden' te vinden.

Weer zoiets van de moderne poëzie, denk je. Zo'n lange tussenzin tussen haakjes. Maar dat overspringen over die flinke onderbreking van zes regels, het kan ook de sprong van de vlo zijn.

Grapje van de dichter! Het kan niet alleen, het lijkt het waarschijnlijkst. Ook de rijmwoorden immers worden na de haakjes weer opgepikt, of er intussen niets is gebeurd. Nu ja, een luchtsprongetje.

De wil is dus weg om de weg te vinden. Welke weg? De wet van dans en levenslied.

Theater en poëzie. We bevinden ons tussen haakjes. In het gordijn schuilt daar de vlo die over zichzelf heen springt - in het toneelgordijn. Harlekijn, Pierrot en de maan, we horen Martinus Nijhoff. Het schijnwerperlicht valt op rodica en dodica, die we kennen uit de Rijke armoede van de trekharmonika van Paul van Ostaijen. En die slanke dodezwarte zwaan kan ook alleen maar van een dichter zijn. De zwaan reikt met zijn hals naar iets onbereikbaars, iets onmogelijks. Weer dat gemis.

Tussen de haakjes heerst melancholie, die theatrale vorm van het verlangen. Als je 'te vinden' eenmaal hebt gevonden zag je de vlo springen. Ze werd gevisualiseerd en dat maakt haar afwezigheid nog intenser. De dichter heeft het over 'verstoten' - inderdaad een soort verraad. Nog even is er de hoop en de illusie. Maar het geritsel dat aanleiding gaf tot muziek is er niet.

't Is niets.

Het klinkt als een bevestiging, omdat de dichter zich al in het niets bevond toen hij tussen haakjes verkeerde. De ruimte waarin een afwezige vlo over zichzelf heenspringt mogen we toch wel een vacuüm noemen.

't Is hier zo kil

- schrijft de dichter. Het is of hij zeggen wil dat hij iets essentieels mist. Of hij zonder de vlo niet compleet is.

Tussen de haakjes bleek de vlo aardig thuis in de literatuur. De vlo heeft de literatuur gelukkig niet verlaten. Ze heeft zich altijd op haar gemak gevoeld en schuilgehouden in de literatuur. Zelden zal iets zo kleins zoveel inkt van literatoren hebben doen vloeien.

Der literarische Flohzirkus is zelfs de titel van een beroemde bloemlezing (1922) uit de vlooienliteratuur. Het was niet de eerste bloemlezing en de verzameling is sindsdien meermalen aangevuld. Je hebt uiteraard ook vlo- bibliografieën, boeken over boeken over vlooien. We leren eruit dat het vlo-gehunker een constante is in de literatuur.

Ook in de Nederlandse. Er bestaat uit de vroege middeleeuwen al een schertsgedicht over de symbiose tussen vlo en vrouw, Constantijn Huygens vertaalde The Flea van John Donne en in de achttiende en de negentiende eeuw trad de vlo op in talloze fabels en satires. Hygiëne en spuitbussen hebben de vlo nadien ietwat uit zicht laten verdwijnen. Toch ken ik, naast dit voorbeeld van Koos Geerds, uit onze tijd nog vlo-gedichten van J.C. van Schagen en Tomas Lieske. 'De vlo is de losmaker van gedachten', schrijft de laatste. En -

De ogen staan bij nader inzien wat vermoeid

in deze kleine insekten die ondanks hun capriolen

niet kunnen bogen, ook niet op vleugels

maar die de wereld bevolken en vervolmaken.

Weer die volmaaktheidsgedachte. De vlo heeft duidelijk een groot krediet bij dichters.