Tegenpartijen; Kiezen voor Nieuwerkerk

Prof.dr. W. Derksen bezet de Thorbecke-leerstoel (lokaal bestuur) aan de Rijksuniversiteit Leiden en is lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

De burgemeesters zijn weinig te spreken over de kwaliteit van hun raad. Daarbij zien ze grote verschillen tussen de kwaliteit van de raadsleden van de verschillende partijen. In het algemeen scoren de raadsleden van de lokale partijen aanzienlijk lager dan de raadsleden van de landelijke partijen.

Dit blijkt uit de enquêtes die NRC Handelsblad en de Thorbeckeleerstoel zowel in 1994 als in 1998 onder de Nederlandse burgemeesters hebben gehouden. Ook ander onderzoek, onder raadsleden, toonde enige jaren geleden aan dat zij eenzelfde negatief oordeel hebben over de kwaliteit van de lokale partijen. Hoewel ik de zorg over de kwaliteit van de lokale partijen in het algemeen wel kan delen, is het toch van belang hier op twee zaken te wijzen. Ten eerste is het begrip 'lokale partijen' niet meer dan een loze verzamelnaam, hoewel de partijen zich wel landelijk hebben georganiseerd in de Vereniging voor Plaatselijke Politieke Groeperingen of het Platform Politiek Onafhankelijke Groeperingen. Voor het overige hebben ze slechts gemeen dat ze alle in één gemeente aan de raadsverkiezingen meedoen. Althans, een betere definitie ben ik nog nimmer tegengekomen. Een uitspraak over lokale partijen op basis van gemiddelden kan dan ook onrecht doen aan vele afzonderlijke lokale partijen.

Ten tweede is het begrip 'kwaliteit' natuurlijk erg subjectief. Aangezien de burgemeesters vertegenwoordiger zijn van landelijke partijen, leggen zij de lokale partijen al snel langs de meetlat van de gevestigde partijen. Om enig inzicht te krijgen in de gehanteerde criteria, is in de burgemeesters-enquête onder andere gevraagd naar de gevolgen van de winst van de lokale politieke partijen bij de vorige verkiezingen. In bijna tweederde van alle gemeenten bleken lokale partijen winst te hebben geboekt. De burgemeesters zijn van oordeel dat deze verschuiving van landelijke naar lokale partijen meer conflicten in de raad tot gevolg heeft gehad, alsmede meer vergadertijd heeft gevergd, de kwaliteit van het debat in de raad negatief heeft beïnvloed en de kracht van de raad in het algemeen heeft verminderd (ten gunste van het college van B en W). Daar staat tegenover dat de winst van de lokale partijen tot meer inspraak heeft geleid. Ook als de lokale partijen meer zetels in het college van B en W hebben bemachtigd, heeft dat geleid tot meer openheid, meer inspraak en een lagere kwaliteit van het debat.

Het is heel goed voorstelbaar dat lokale partijen op grond van hun eigen criteria deze ontwikkelingen juist als positief ervaren. Zij wensen immers vooral op te komen voor de burger. En hoe meer inspraak er is, hoe beter dat dan is. De kwaliteit van het raadsdebat zouden ze wel eens veel minder belangrijk kunnen vinden. Als dat zo is, zou er eerder sprake zijn van botsende culturen dan van een hogere of lagere kwaliteit.

De veronderstelling van botsende culturen vindt ook steun in andere gegevens. De simpelste daarvan is het opleidingsniveau van raadsleden. Van de raadsleden van de landelijke partijen heeft 30 procent een academische opleiding genoten, van de raadsleden van de lokale partijen geldt dit voor 11 procent. Van de eersten heeft 8 procent slechts MAVO of LBO, van de laatsten 19 procent.

Belangrijker is dat de lokale partijen ideologisch zo moeilijk te plaatsen zijn in het klassieke links-rechtsschema. Hoewel vertegenwoordigers van lokale partijen landelijk eerder geneigd zijn VVD dan PvdA te stemmen, is van veel lokale partijen toch zeer onduidelijk waar ze 'politiek' staan. Dit komt mede omdat lokale partijen leden van vele pluimages huisvesten. Sommige lokale partijen zijn nog overwegend progressief te noemen, andere nog overwegend conservatief. De meeste zijn echter niet op deze manier te duiden. En: dat willen ze ook niet. De meeste willen niet links of rechts zijn, velen willen zelfs helemaal 'niets' zijn. Van de lokale raadsleden meldt 88 procent in een eerder onderzoek dat het 'opkomen voor het gemeentelijk belang in het algemeen' en 'het dichten van de kloof tussen burger en politiek' hun belangrijkste drijfveren zijn. Daarna volgen 'het verbeteren van de inspraak van burgers' en 'het bevorderen van de zakelijkheid in de politiek'.

Het mag duidelijk zijn dat lokale partijen moeilijk met landelijke partijen zijn te vergelijken. Ze staan in veel opzichten voor een andere politieke cultuur. Maar daarmee hoeft nog niet gezegd te zijn dat beide culturen gelijkwaardig zijn. Persoonlijk zou ik het (waarschijnlijk samen met de meeste burgemeesters) toch betreuren indien de huidige lokale partijen de lokale politiek zouden overnemen. Ik geef vier overwegingen. Ten eerste hebben lokale partijen niet alleen een frisse wind in het gemeentelijk bestuur laten waaien, maar ook nogal wat onkunde naar binnengebracht. Daardoor is (ook volgens de burgemeesters) de positie van de gemeenteraad, het enige orgaan dat rechtstreeks door burgers wordt gekozen, verder verzwakt.

Ten tweede verspreiden nogal wat lokale partijen de geur van 'tegenpartij'. Een goede oppositie verbetert de kwaliteit van elke democratie, maar het is toch de vraag of bij lokale partijen daarvan altijd sprake is. Wie zich te ver verwijdert van de gangbare wijze van werken bereikt in de regel weinig. Zeker als het optreden van lokale partijen gepaard gaat met grappen en grollen die alleen tot doel hebben de lokale politiek te ridiculiseren. Zo vermag ik niet in te zien welke bijdrage een partij als de Stadspartij in Rotterdam heeft geleverd aan de bestrijding van de werkloosheid of de criminaliteit. En mogen burgers niet juist van hun bestuurders verwachten dat zij zich hard maken voor een serieuze aanpak van maatschappelijke problemen?

Ten derde richten lokale partijen zich nogal eens op een enkele kwestie, terwijl in een raadsperiode van vier jaar nog heel wat andere zaken de revue passeren. Als burger zou ik graag enig inzicht willen hebben in de algemene drijfveren van mijn partij, zodat in zekere zin te verwachten valt welke positie de uitverkoren partij in alle voorkomende issues zal innemen.

De laatste overweging hangt sterk met de voorgaande samen: waar zijn partijen te plaatsen die bovenal willen opkomen voor alle burgers? Ik heb daarover vaak met vertegenwoordigers van deze lokale partijen gediscussieerd. Ze beloofden plechtig dat hun stemgedrag altijd overeen zou komen met de mening van de burgers. En als de burgers verdeeld zouden zijn, zouden ze ook verdeeld stemmen in de raad. Geweldig. Toch betekent de representatieve democratie nog iets meer. Daarin horen politieke vertegenwoordigers 'zonder last en ruggespraak' besluiten te nemen die 'in het algemeen belang' zijn - en derhalve wel eens haaks kunnen staan op de optelsom van individuele belangen. Wie bewaakt de zwakkeren, de kansarmen, wie bewaakt het milieu, wie waakt over de toekomst, als we de hele dag simpel stemmen tellen op straat? Politiek is toch meer dan een procedure. Bij politiek gaat het toch ook om richtinggevende idealen, om de kwaliteit van het bestaan?

Ik wil hier niet beweren dat het fenomeen van een lokale politiek op basis van landelijke partijen geen nadelen kent. Denk maar aan de nationalisering van de raadsverkiezingen (mensen stemmen wegens Kok op 4 maart op de PvdA). Maar die andere cultuur van de lokale partijen lijkt me ook niet wenselijk. Ook in de lokale politiek bestaat behoefte aan serieuze partijen, die politiek herkenbaar zijn. Dan weten we waarvoor we stemmen.