Onfeilbare ministers

Het is nog maar drie weken geleden dat minister Winnie Sorgdrager van Justitie de felicitaties van de Tweede Kamer in ontvangst mocht nemen. Ze had weer een debat overleefd. Dramatische woorden had ze aan het slot gesproken. Het vertrouwen in de rechtsstaat was door haar aanvaring met de procureurs-generaal ernstig geschaad. Ze had zichzelf afgevraagd of zij de schade nog wel kon herstellen. “Ik beantwoord die vraag uiteindelijk positief”, sprak een ferme Sorgdrager. Zoenen, handen, schouderklopjes. Kamerleden als soigneur. Hoe vaak is een debat met de minister van Justitie niet op deze manier geëindigd?

En vandaag stond ze dan wederom in de Tweede Kamer. Niet over een belangwekkend onderwerp, maar opnieuw tekst en uitleg te geven over haar personeelsbeleid. De briefwisseling tussen haar en de inmiddels ontslagen 'super PG' Docters van Leeuwen vormde dit keer de grondstof voor het debat. Drie weken na de ministeriële aankondiging van herstel van de verhoudingen moest de minister zich al weer verantwoorden voor de sindsdien onder haar leiding ontstane wanverhoudingen. Verontrustend is het niet eens meer. Als het over Sorgdrager gaat kan beter in termen van zielig worden gesproken.

Als iemand de representant is van aangeschoten wild, dan is het de minister van Justitie wel. Het is vanzelfsprekend heel gemakkelijk om de beschuldigende vinger in haar richting te wijzen. Ze is een zwakke minister gebleken. Maar dan wel een zwakke minister die zich telkens moest verantwoorden tegenover een uitermate slap parlement. Dat laatste is minstens zo erg. Want zegt het feit dat Sorgdrager telkens naar de Kamer wordt geroepen eigenlijk niet net zoveel over de Tweede Kamer? Als de parlementariërs in meerderheid vinden dat zij niet goed functioneert - wat ze in feite te kennen geven met het achter elkaar voeren van nieuwe debatten - waarom spreken ze dat dan niet gewoon een keer uit? Inderdaad, coalitiebelangen.

Tijdens de kabinetsformatie van 1994 hebben de onderhandelaars van PvdA, VVD en D66 een grove beoordelingsfout gemaakt door de bezetting van het departement van Justitie niet als een gezamenlijke verantwoordelijkheid te beschouwen. De post was toegevallen aan D66 en vervolgens mocht Hans van Mierlo in eigen kring een geschikt persoon gaan zoeken. De betrokkenheid van de andere onderhandelaars beperkte zich tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar. Zo gaat het nu eenmaal altijd bij Nederlandse kabinetsformaties. Dagenlang kan worden gesteggeld over 'belangwekkende' zaken als de vraag of de na drie jaar voorziene eventuele kasschuifoperatie in de volkshuisvestingssector ex ante dan wel ex post is. Maar als het hoofdstuk ministersbenoemingen aan de orde komt, overheerst het amateurisme.

De diep ingrijpende wanorde op het beleidsterrein van Justitie was ten tijde van de kabinetsformatie genoegzaam bekend. De IRT-affaire met al zijn negatieve uitstralingseffecten speelde volop in Den Haag. Nadat de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie al een keer langs de rand van de afgrond waren gegaan, vielen ze in demissionaire status alsnog in het ravijn. Een parlementair onderzoek naar de opsporingsmethoden liep al. Daarnaast speelde nog de reorganisatie van het openbaar ministerie, die was aanbevolen na een vernietigend rapport over het functioneren ervan. Kortom er was dus wel het een en ander aan de hand en er was dan ook alle reden om iets minder lichtvoetig met de personele bezetting van het departement om te gaan.

Toegegeven, het is altijd eenvoudig om achteraf allerlei vaststellingen te doen. Maar de vraag is gerechtvaardigd of het wel zo slim was om een procureur-generaal als minister te benoemen. Een figuur die immers juist geacht werd het openbaar ministerie fors te reorganiseren. Bovendien is het de vraag of het slim was een politiek totaal onervaren iemand op die post neer te zetten. Want hadden de woelige voorjaarsmaanden van 1994 nu niet laten zien dat Justitie een politiek zwaar beladen onderwerp was. In elk geval kan nu geconstateerd worden dat Winnie Sorgdrager in haar ministersperiode èn tegen haar oude companen van het openbaar ministerie en tegen de politiek is opgelopen.

Bedrijfsongevallen in de vorm van een verkeerde benoeming kunnen gebeuren. Het is een van de redenen waarom in talloze andere landen tussentijdse kabinetswisselingen plaatsvinden. Er wordt geschoven van post tussen bewindslieden onderling of een minister wordt vervangen. Alleen in Nederland is op een kabinetsploeg tot in het oneindige het 'samen uit - samen thuis' principe van toepassing. Het maakt elke zakelijke discussie bijna onmogelijk.

Tijdens het eerste Van Randwijck-debat van eind 1995 was al zonneklaar dat Sorgdrager geen gezag meer had om de gewenste veranderingen tot stand te brengen. Bedonderd door haar eigen departemensambtenaren, niet serieus genomen door het veld, dat was de positie waarin ze verkeerde. Op steun vanuit de politiek kon ze ook al niet terugvallen nadat ze op instigatie van haar politiek leider Van Mierlo aan het parlement een uiterst ongebruikelijke expliciete vertrouwensuitspraak had gevraagd.

Toen al was duidelijk dat het nooit meer goed zou komen met Winnie Sorgdrager en dus ook niet met de zo noodzakelijke aanpak van Justitie. Maar hier wreekt zich het Nederlandse systeem. De altijd broze coalitieverhoudingen verhinderen een zakelijke benadering van het probleem. Politiek prestige gaat boven de ratio. Wie aan de minister komt, komt aan de partij en dus aan de coalitie. Het gevolg is dat er niets gebeurt en niet-functionerende bewindspersonen doormodderen tot het officiële einde.

Kan het anders? Uitgerekend D66, de partij van minister Sorgdrager, stelt al vele verkiezingsprogramma's achtereen voor de minister-president in het personeelsbeleid een veel grotere rol te geven. Hij zou het recht moeten krijgen ministers te benoemen of te ontslaan. De partij koppelt deze opwaardering weliswaar aan de aloude wens van de rechtstreekse verkiezing van de minister-president, maar dat doet aan de analyse niets af. Als het beleid vastloopt op ministers die zijn aangesteld om het uit te voeren, dan moet ook vanuit het kabinet de mogelijkheid bestaan om handelend op te treden. De aangewezen persoon daarvoor is de minister-president. Ook ministers zijn niet onfeilbaar. Behalve in Nederland.

That's Dancing! (Jack Haley jr., 1985, VS). Na twee afleveringen van That's Entertainment stelde Haley uit de MGM-archieven een compilatie samen van dansscènes uit musicals. Morgen, Duitsl.1, 10.03-11.45u., nagesynchroniseerd.