Onderweg met Bill de Vlugt; 'Het oog van de meester maakt de koe vet'

Iedere week rijdt NRC Handelsblad met een ondernemer mee op de achterbank. Waar gaat hij heen? En wat doet hij onderweg? Deze week: Bill de Vlugt, voorzitter van de raad van bestuur van Van Leer Packaging (beroemd om zijn olievaten).

Auto Sahara-kleurige BMW 735 IL (“Cor Boonstra heeft een 740.”)

Route van het hoofdkantoor in Amstelveen naar het Binnenhof in Den Haag, maar halverwege even langs zijn huis in Aerdenhout

Meegereden: 35 minuten

Voordat Bill de Vlugt vertrekt, zit hij nog even te bellen met de United Bank of Switserland, telefoon op de meeluisterstand.

De bankman: “Ze willen weten of je serieus bent.”

De Vlugt: “Als ik het goedkoop kan krijgen wel ja. Tell them they can get a premium of fifteen percent.”

Hij lacht hard, verbreekt de verbinding, rommelt in zijn spullen om te kijken waar hij precies heen moet. “Ridderzaal. Diner met Li Peng. Ik hoop dat hij een beetje dooreet.”

Zijn chauffeur houdt het portier voor hem open. “Mooie kleur hè”, zegt De Vlugt. “De chicste kleur die er is.”

Zo vaak zit hij niet in de auto. “Vierennegentig procent van onze business is het buitenland. We zitten in zevenenveertig landen. Vorige week heb ik Zuid-Amerika gedaan.

Zaterdag ga ik naar het Verre Oosten, dan naar Japan, naar China, naar de Filippijnen, naar Australië, Singapore, Maleisië, Indonesië en Thailand.''

Hij wacht even om te zien wat voor indruk dat maakt. “In twee weken.”

Is dat leuk? “Leuk vind ik het allang niet meer. Je stompt een beetje af hè. Maar je raakt aan alles gewend.”

Zijn vrouw belt. “Hé, luister eens. Je bent de zwembadman vergeten.”

“Verdomme”, roept hij. “Ik vergeet alles. Ik kom eraan.”

De BMW kan voor Schiphol nog net de afslag naar Haarlem nemen.

“Je kan ook videoconferences doen, hoor. Reuze leuk als je alleen maar informatie hoeft uit te wisselen. Maar als je wilt dat er wat gebeurt, moet je er bij zijn. Het oog van de meester maakt de koe vet, of zoiets. Ik ben niet zo'n manager die vindt dat hij nergens verstand van hoeft te hebben. Daar is de wereld veel te concurrerend voor geworden. Elke business heeft zijn z'n eigenaardigheden.”

Wat zijn die van jullie? “Dat wij bijvoorbeeld niet op order produceren. Wij zitten gesandwicht tussen een páár producenten en een páár afnemers. In Engeland hebben we een factory of the future neergezet, de productiviteit is verdubbeld. De overcapaciteit vullen we op door klanten te zeggen: jullie krijgen additioneel volume tegen marginale kosten.”

Hij schatert. “En dat volume halen ze dan weg bij de concurrent.”

Wat doet u al die uren en dagen in het vliegtuig? “Ik lees mijn spulletjes en Business Week en The Economist, dat soort blaadjes. En voor de rest verveel ik me. Ik heb er de pest aan. Ik kan niet slapen onderweg.”

Geen boeken? “Ik lees geen boeken. Nou ja, één per jaar.”

Wat was het laatste? “Haha, Stoppen met roken. Gisteravond om tien uur was het precies veertien dagen geleden dat ik mijn laatste heb gerookt. Na veertig jaar, zestig sigaretten per dag. Ik mis het nu nog zestig keer per dag.”

En het volgende boek wordt Montignac? “Er zijn mensen die vinden dat ik moet afvallen, ja. Dat is probleem nummer twee dat ik nu moet oplossen.”

Hij gaat naar het diner met Li Peng om de contacten, zegt hij. “We hebben één fabriek in China, er is daar een hoop toekomst en als ik nou eens moeilijkheden krijg, dan kan ik een briefje schrijven. Geachte heer, ik refereer aan het gezellige dineetje dat we toen en toen hadden... Ik doe het dus uitsluitend voor de zaak. Wat ik erop tegen heb is dat het zo lang duurt. Ik begrijp dat nooit. In Amerika sta je bij dat soort gelegenheden om half negen weer op straat. Bij ons moet het altijd tot elf uur duren. En iedereen zit te denken: was het maar voorbij. Nou ja, altijd nog beter dan in Spanje. Daar begìnnen ze pas om elf uur.”

Wat is er eigenlijk wel leuk? Stralend: “Gewoon, dat je een grote onderneming bestuurt. Dat je al zes jaar achter elkaar meer winst maakt. Mijn vrouw vraagt me echt niet 's morgens als ik de deur uitga of ik zin heb. Natuurlijk heb ik dan geen zin. Het is net als met een marathonloper. Het lopen zelf is een hel. De kick krijg je als de wedstrijd gelopen is. En als je het een seconde sneller hebt gedaan.”