Onbeminde dienstverlener

Wethouders gaan minder lang mee dan vroeger. Worden ze zelf niet geroepen tot een (hoger) ambt, dan is het wel de raad die hen wegstuurt. 'Een fascinerende hondenbaan'.

DE WETHOUDER is een fenomeen. Zijn prestige is gering, het carrièreperspectief neemt af en toch wordt het ambt zeer begeerd. Veel gemeenteraadsleden dromen nog altijd van een wethouderschap. Controleren is leuk, maar besturen wil iedereen. En als het kan altijd een treetje hoger.

Alleen is het perspectief ingrijpend gewijzigd. Terwijl vroeger voor een stevige wethouder het burgemeesterschap gloorde, doemt tegenwoordig steeds vaker de zijdeur van het stadhuis op. De wethouder valt, leve de wethouder.

De praktijk van het werk ziet er ongeveer als volgt uit: je staat dicht bij de burger, je doet aan praktisch bestuur en je bent nooit klaar. 'Een fascinerende hondenbaan' is het wethouderschap wel genoemd. Na 4 maart wordt er in alle gemeenten weer hartstochtelijk om gevochten.

Wie is de wethouder? Hij is meestal een man, veelal van middelbare leeftijd. Nog geen twintig procent van de wethouders in Nederland is vrouw. In veel kleinere gemeenten werken praktisch alleen mannelijke wethouders. En die hebben vaak een CDA- of PvdA-achtergrond. Niet minder dan eenderde van het aantal wethouders komt uit deze traditionele bestuurderspartijen.

Het was lang een functie met perspectief. En het waren ook niet de minsten die het ambt bekleedden. Willem Drees begon zijn loopbaan als wethouder in Den Haag. Zijn eretitel als minister-president was later 'wethouder van Nederland'. Hij bestuurde het land als een gemeente: zakelijk en zonder zware politieke accenten. Van Joop den Uyl, de zeer politieke oppositieleider en minister-president, was bij veel burgers niet eens bekend dat hij eerder wethouder van Amsterdam was geweest.

Nog altijd is de gemeentepolitiek de kraamkamer voor het landsbestuur. Bij drie van de vier grote partijen in de Tweede Kamer was de fractievoorzitter vorig jaar een ex-wethouder: Heerma (CDA), Wolffensperger (D66) en Wallage (PvdA). Onder de staatssecretarissen van het kabinet-Kok zitten maar liefst vijf vroegere wethouders: Schmitz, Van Dok-van Weele, Van de Vondervoort, Gmelich Meijling en De Grave. En vice-premier Dijkstal was, voor hij Tweede-Kamerlid werd, wethouder van Wassenaar.

Kennen kiezers hun wethouders? Dikwijls niet. De wethouder is op het stadhuis een autoriteit, daarbuiten overwegend een onbekende. De burger kent zijn burgemeester: de man (of vrouw) met de ambtsketen die bij calamiteiten of feestelijkheden op de voorgrond staat. De wethouder blijft als publieke figuur een vage functionaris. “Het wethouderschap is een beetje een non-descripte functie. Het zegt de mensen niks”, aldus de voormalige wethouder van Voorburg P. Labohm in een studie over het ambt.

Intussen is de functie wél zwaarder geworden. Lokale overheden zoeken de burger steeds vaker op om het beleid te verkopen en de burger weet zijn bestuurder tegelijk steeds gemakkelijker te vinden als het nodig is. Als publieke figuur is hij onbemind, als dienstverlener scoort de wethouder hoog. “De emancipatie van de burger maakt de baan zwaarder. Het is geen uitzondering dat je op zondagochtend door een burger uit je bed wordt gebeld”, zegt de Leidse wethouder P. Langenberg, die vorige maand zijn wethouderschap na vier jaar beëindigde.

“Nee, het is geen populair ambt”, oordeelt G. Schouw, wethouder in Dordrecht en auteur van een proefschrift over bestuursstijlen van wethouders. “Je krijgt geen brieven van burgers met 'wat doet u het goed'. En de druk vanuit de media op je persoonlijk functioneren wordt steeds groter.”

Het ambt is ingrijpend gewijzigd. Wethouders, zeker in de middelgrote en grote gemeenten, zijn steeds meer beleidsmanagers en steeds minder volksvertegenwoordigers geworden. Schouw: “Vroeger waren wethouders gezaghebbende figuren, ze vertegenwoordigden een halve gemeenschap in een stad of dorp. Nu zijn ze alleen vertegenwoordigers van hun fractie.”

Hoe word je wethouder? Alleen met een partijticket. Zo kan het gebeuren dat de wethouder voor de haven in Rotterdam moet worden gerekruteerd uit een paar honderd leden van de plaatselijke PvdA- of CDA-afdeling. Terwijl voor de directie van die andere mainport, de luchthaven Schiphol, een zware manager van buiten wordt aangetrokken, zoals onlangs de bestuursvoorzitter van het Academisch Ziekenhuis Utrecht, is de wethouder van de Rotterdamse haven een Genosse.

De kwaliteit van wethouders neemt af, wordt met enige regelmaat gezegd. Harde bewijzen daarvoor ontbreken. Wél staat vast dat wethouders uit een steeds kleinere kring voortkomen. Partijen nemen in omvang af en daarmee versmalt ook de groep van kandidaten. 'Haal wethouders van buiten de raad', is een al langer klinkend pleidooi, maar de laatste tijd is de roep luider.

J.Th.J. van den Berg, hoofddirecteur van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) is geen voorstander van wethouders van buiten de raad, maar wél pleitbezorger van professionelere rekrutering. “Partijen moeten talenten actief zoeken in andere sectoren, zoals het midden- en kleinbedrijf en de vrije beroepen. En daar moeten ze dan niet pas een jaar voor de verkiezingen mee beginnen.”

K.G. de Vries, voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER) en eerder hoofddirecteur van de VNG, is een verklaard voorstander van het aantrekken van wethouders van buiten de raad. “Je moet sterke mensen selecteren. Neem de haven van Rotterdam, daar heb je een zwaargewicht voor nodig. Waarom zet je daar niet iemand neer met bewezen kwaliteiten, een secretaris-generaal van een departement bijvoorbeeld? We vinden het toch ook doodnormaal dat een minister van buiten de politiek komt.”

Wethouders functioneren intussen steeds korter. Een zilveren jubileum is uitzondering. Twee periodes is de ideale termijn, maar steeds vaker stappen wethouders 'opgebrand' op of worden ze tot aftreden gedwongen. De 'vallende' wethouder is in de raadszaal een steeds vaker optredende figuur.

De voornaamste oorzaken van dit verschijnsel: meer partijen die colleges vormen (met ook meer kansen op conflicten), nieuwe partijen die anders opereren dan de traditionele formaties en vooral een toenemende openheid, waardoor 'geknoei' van wethouders of ambtelijke diensten eerder wordt blootgelegd.

Regelmatig verdwijnt zo een wethouder en af en toe zelfs een compleet college. In Oegstgeest bijvoorbeeld verdwenen de wethouders van de jonge lokale partij 'Leefbaar Oegstgeest' binnen een jaar uit het college. En in Maarssen ruimden binnen twee jaar maar liefst twee complete colleges van wethouders het veld. De wethouder moet gaan of gaat zelf. Steeds vaker ook stappen wethouders tussentijds op omdat ze een andere baan ambiëren. Voor het te laat is, voor ze niet meer gevraagd worden of voor hun partij buiten een nieuw college valt.

De Leidse wethouder Langenberg, een D66'er, wisselde vorig maand zijn politieke functie voor die van beleidsambtenaar bij de gemeente Amsterdam. Het was een welbewuste stap van een wethouder die weet dat het politieke ambt eindig is. “Ik heb het idee dat mijn werk af is. Ik vind het niet goed dat je zo'n functie tien of twaalf jaar doet, dan vergroei je met je baan.”

Wie de meeste kans heeft om wethouder te worden verschilt ogenschijnlijk van gemeente tot gemeente. Maar de harde praktijk is toch vooral dat de landelijke politiek de lokale verhoudingen bepaalt. Kiezers stemmen ook bij raadsverkiezingen overwegend 'nationaal'. Wie wethouder wil worden of blijven, moet het geluk hebben dat zijn partij in de lift zit. Zelf kan hij weinig uitrichten.