Martha Gellhorn, 1908-1998; Rebel tegen stupiditeit

LONDEN, 19 FEBR. Martha Gellhorn, oorlogsverslaggeefster, is nog geen dag dood of er is al een prijs naar haar genoemd (de Independent's 'Martha Gellhorn Award for Women War Reporters'). Haar dood, op 89-jarige leeftijd in haar gekozen thuishaven, Londen, wordt betreurd in paginagrote artikelen in de Britse dagbladen. Tot op zekere hoogte gaat Gellhorn zoals ze geleefd heeft: “not with a whisper, but with a bang.”

Gellhorn zelf zou over al die loftuitingen ongetwijfeld een cynische opmerking hebben gemaakt. Aan de vooravond van een oorlog met Irak zou ze in wanhoop hebben herhaald wat ze ooit aan de historica Barbara Tuchman had willen schrijven: dat ze het “onverdragelijk” vond in 'A Distant Mirror' te moeten lezen over oorlogvoering in de veertiende eeuw. “Godbeterehet, de mensen waren toen al net zo stupide en afschuwelijk bezig als nu. Wie brengt daar ooit eens verbetering in?”

Gellhorn was na Vietnam, de oorlog die voor haar alle oorlogen overtrof die ze tussen 1935 en 1966 had verslagen en “de enige oorlog die ik van de verkeerde (Amerikaanse) kant versloeg”, genezen van de illusie dat de pers oorlogen kan voorkómen. Wat haar dreef om er tóch elke weer bij te zijn, vanaf het moment dat ze als een mooi, jong, onbevangen Amerikaans meisje de Spaanse Burgeroorlog kwam verslaan, was dat ze voor anderen wilde opschrijven “hoe het was”. Van de politionele acties in Indonesië tot - in 1983 nog - de burgeroorlog in El Salvador, Martha Gellhorn werd “een wandelende bandrecorder met ogen in het hoofd”: “Nadenken was er niet bij, je werd gek als je dat deed.” Haar artikelen door de jaren heen (gebundeld in “The Face of War”) beschreven de uitwerking van oorlog op de mensen die er het slachtoffer van waren. “Natuurlijk ben je deelnemer aan wat er gebeurt. Ik ben vóór mensen met het recht aan hun zijde.” En bekroond of niet: “Oorlog was altijd erger dan ik wist te beschrijven - altijd!”

Martha Gellhorn werd op 8 november 1908 geboren als dochter in een welgesteld gezin in St Louis, Missouri. De rebelse kwaliteit, die ze tot op hoge leeftijd bleef behouden, maakte dat ze het geijkte pad na één jaar universiteit verliet. Ze wilde, zo zei ze in 1989 in een interview met deze krant, “go, see, be, watch - en schrijven is het enige dat ik kan.”

Al vóór Gellhorn aan haar verhouding met Ernest Hemingway begon, werd haar sobere schrijfstijl met die van hem vergeleken. Haar bundel 'The trouble I've seen' - reportages over de Depressie - werd allerwege lovend besproken en bracht haar in hecht contact met de Roosevelts. Gellhorn had dus al een zekere faam toen ze in het kielzog van Hemingway in Spanje aankwam: met een vaag besef van “een burgeroorlog en geen idee waar ze dan wel over zou moeten schrijven”. Tot iemand haar aanspoorde te schrijven “over het leven van alledag” en ze de artikelen over bommen en bomkraters en mensen die niet konden ontsnappen, opstuurde aan Collier's-magazine.

Haar huwelijk met Hemingway - zijn derde, haar tweede - was onbespreekbaar. Het ergerde Gellhorn dat ze altijd werd genoemd als “de derde vrouw van Hemingway” - “44 jaar ben ik al bezig me daarvan los te maken”, zei ze in 1989. Duidelijk is dat professionele rivaliteit een grote rol heeft gespeeld in de breuk tussen de twee. Gellhorn zou Hemingway nooit hebben vergeven dat hij haar Collier's als opdrachtgever afpakte. Hemingway zou zich nooit hebben hersteld van het feit dat Gellhorn zijn status ondermijnde door ervoor te zorgen dat ze bij de invasie van Normandië aan boord van een hospitaalschip was. Daardoor kon zij aan land gaan “met de jongens met de brancards”, terwijl Hemingway zijn waarnemingen deed per verrekijker van de brug van een landingsvaartuig voor de kust. Collier's koos voor het stuk van Hemingway, de bekendste naam - maar voor de macho-oorlogscorrespondent was de lol er toen al grondig af.

Martha Gellhorn trouwde nog een derde keer, in 1954, met de hoofdredacteur van Time, T.S. Matthews. Het huwelijk duurde negen jaar. Later merkte ze op dat “een man die op vijf huizenblokken afstand woont en geheel opgaat in zijn werk” voor haar ideaal zou zijn. Sinds de Tweede Wereldoorlog had Gellhorn Londen meer en meer als haar thuis beschouwd. Ze woonde in Italië, Mexico, Engeland en Afrika, maar was aan het eind van de jaren tachtig definitief teruggekeerd naar Londen. Daarnaast had ze een huisje in Wales, waarvan ze altijd zei dat ze het wilde verkopen “omdat het in Wales altijd regent”. In haar flat op Cadogan Square leefde ze tot voor een paar jaar het bestaan dat ze altijd had geleefd: veel roken, veel drinken, veel uitgaan, veel reizen. Ze haatte de lijfelijke verwoesting die ouderdom in haar aanrichtte en ze wilde voor ons interview niet meer op de foto: “Ik heb varkensoogjes.” Maar met haar hese stem en - als ze daartoe aanleiding zag - innemende manieren wond ze iedereen om haar vinger. In veel van de In memoriams wordt ze in de laatste stadia van haar leven beschreven als “bijna blind”, maar desondanks nog steeds “een onverbeterlijke flirt”.

In 1989 zei ze: “Ik zou het niet kunnen verdragen geleefd te hebben zonder mijn eigen kleine aandeel te hebben geleverd. Door te schrijven. Als je toegeeft aan de gedachte dat het geen zin heeft, winnen de anderen. Dan is er zelfs geen gemompel van protest te horen geweest. Niet één klein piepje. We must, at least, squeak.”