La belle noiseuse

La belle Noiseuse (Jacques Rivette, Frankrijk, 1990), Duitsl.1, 0.50-02.55)

De versie van La belle Noiseuse van de Franse veteraan Jacques Rivette (1928) die vanavond - tweetalig - op de Duitse televisie te bewonderen valt, staat bekend als Divertimento. Hij is de helft korter dan de vier uur durende film waarmee Rivette de speciale juryprijs op het festival van Cannes van 1991 veroverde. De lange versie is de betere.

Michel Piccoli speelt de oudere schilder Frenhofer die al tien jaar een schilderij niet afkrijgt. Het betreft 'La belle Noiseuse' (wat zich laat vertalen als de mooie querulante, of de mooie pestkop), een naaktportret van een zeventiende-eeuwse courtisane, waarvoor zijn vrouw (Jane Birkin) poseerde.

Dat verandert wanneer een jonge bewonderaar, zelf een getalenteerd schilder, in gezelschap van zijn sensuele vriendin Marianne (Emmanuelle Béart), langskomt op Frenhofers landhuis in Zuid-Frankrijk. Zonder dat Marianne's mening gevraagd wordt, besluit men dat zij voor de wrokkige schilder gaat poseren. Vanaf dat moment kijken we soms minutenlang naar de schetsende hand van de schilder en zijn krassende potlood.

Vooral in deze scènes is flink gesneden. Het zou ook veel vergen van de televisiekijker om voldoende concentratie op te brengen om zo lang over de schouder van de schilder mee te kijken naar het naakte model, maar een deel van de emotionele precisie is verdwenen.

Toch biedt La belle Noiseuse, divertimento volop spanning. Bij het poseren ontspint zich een strijd tussen de jager die op zoek is naar het moment waarop 'de waarheid' zich weer in zijn kunst zal openbaren en de gejaagde, die zich er tegen verzet het object te zijn. Uiteraard draait het in die strijd niet alleen om kunst, maar evenzeer om seks en macht. Frenhofers schetsen zijn een neerslag van zijn afgrijzen over de macht die vrouwen over hem uitoefenen.

Ook al heeft Rivette uiteindelijk geen schokkende dingen over kunst te melden, toch is de manier waarop hij de pijn van het creatieve proces laat zien, indrukwekkend. Daar hielp de fysieke ervaring van vier uur bioscoop een handje bij. Op televisie blijft vooral het intellectuele deel over. Of om met Frenhofer te spreken: het bloed is uit het kunstwerk.