Een maaltijd met spruitjes en kool prak je ook niet; 'Multiculturele kunst' is een gevaarlijk begrip

Mohammed Benzakour is publicist en lid van de kernraad van de Rotterdamse Kunststichting Er zijn weinig landen waar de groepsidentiteit van migranten zo geïnstitutionaliseerd is en de heimwee zo gesubsidieerd als in Nederland. Dat is niet zonder risico's, vindt Mohammed Benzakour.

Overheidssubsidie ter promotie van de kunst en cultuur moet niet alleen iets zijn voor de blanke happy few. Het beleven van de eigen cultuur en kunst is een ongeschreven grondrecht. Maar dat laat onverlet dat culturele instellingen en hun managers in hun enthousiasme niet te lichtzinnig met de 'heilige status' van kunst om moeten gaan. Met de 'verplichte allochtonisering' van het culturele aanbod zouden non-artistieke criteria op langere termijn belangrijker kunnen worden dan de nu gangbare. Wordt hiermee het artistieke peil niet aangetast? En: is de individuele allochtone kunstenaar bij een dergelijk specifiek beleid gebaat?

Het bestaan van de kunst is altijd al een groots mysterie geweest en dat zal het voorlopig ook wel blijven, maar soms is het goed naar een definitie te zoeken. De beste omschrijving van kunst die ik ken, is deze: “een gestileerd menselijk handelen (of een product daarvan) dat een ontroering teweegbrengt”. Sommigen gaan nog verder en vergelijken kunst met religie. Zij stellen dat alle kunst een religieus karakter heeft en elke religie een artistieke pretentie in zich draagt.

Wat je ook kiest, dit soort definities onderstrepen het universele, absolute, ja zelfs metafysische karakter van kunst en haar uitingsvormen. Daaruit volgt dat de maatschappelijke en beleidskundige categorieën waarmee kunst nu vaak wordt benaderd, zoals validiteit, leeftijd, sekse én etniciteit, tekortschieten. Er moeten dan ook grote vraagtekens bij de gangbare term 'multiculturele kunst' worden gezet.

Jazeker, Marokkaans toneel bestaat, evenals Turkse dans en Surinaamse muziek. Maar hoe kwalijk is het om al deze kunstdisciplines onder één kopje te plaatsen, dat van de multiculturele kunst. Hoe pijnlijk is het besef dat hiermee elke uniciteit, elke authenticiteit, en daarmee elke beleving van een artistieke prestatie - bijvoorbeeld van een Chinese schilder - gereduceerd wordt tot een kunstzinnige uiting van de allochtone gemeenschap waarvoor een aparte zak met duiten is gereserveerd. Is het niet de grootste belediging voor een kok wanneer je zijn maaltijd met spruitjes, wortelen en kool - die alle op een eigen specifieke wijze bereid en gekruid zijn - gaat prakken omdat 'dat makkelijker eet en het toch allemaal groente is'?

Zeker, de filosofie achter het multicultureel kunstbeleid - dat kunstuitingen van en voor allochtonen een verrijking vormen voor het culturele klimaat in de stad - is een nobele. Maar het gevaar van politisering en daardoor generalisering is te groot. Dat heeft er vooral mee te maken dat allochtonen in Nederland in veel sectoren nog altijd zijn achtergesteld, zie de werkloosheidscijfers, criminaliteit, huisvesting, schoolprestaties en rechtspositie. Bovendien kampt het gros van de allochtonen met een negatief zelfbeeld, zoals onzekerheid, onwetendheid en ondeugd. Het gevolg is dat het de allochtone kunstenaars zijn die impliciet de morele taak krijgen om hun groep een stem te geven, opdat die door de blanke Nederlanders beter begrepen en wellicht meer gerespecteerd wordt.

Maar wat is in wezen de taak of zelfs roeping van elke kunstenaar? Gustave Flaubert heeft het op prachtige wijze plastisch verwoord. Volgens hem moet de kunstenaar “alles verheffen; hij is als een pomp, hij draagt een grote buis in zich die hij neerlaat in de ingewanden van de dingen, in de diepe lagen. Hij zuigt op wat plat onder de aarde lag en wat niemand zag, en laat het rondspuiten als reusachtige vonkenregens in het zonlicht”.

Natuurlijk, een kunstenaar kan tevens een sociale missie hebben of engagement. Maar dat mag en kan nooit ophouden bij het onderdeel uitmaken van, en een stem geven aan een etnische groepering die - als het aan de culturele instellingen ligt - altijd ten onder gaat aan ontheemding en nostalgie, ontworteling en thuisloosheid, of je die wilt of niet. Er zijn weinig andere landen waar de groepsidentiteit zo geïnstitutionaliseerd is en de heimwee zo gesubsidieerd (noem het ontheemdingstoeslag, zoals Europarlementariërs die krijgen) als in Nederland.

Neem Kader Abdolah, de eeuwige vluchteling, die aan zijn heimwee ten onder gaat. De beste man, gevangene van zijn ballingschap en daardoor de karikatuur zelve, schrijft eindeloos over zijn gesubsidieerde heimwee, vanuit zijn royale appartement in Friesland, ondertussen genietend van een dikke sigaar en een Frans cognacje. Het ironische is dat hij er geen moment over peinst om al deze geneugten in te ruilen voor zijn 'geliefde vaderland waar al zijn vrienden en familieleden zijn achtergebleven'.

Tot welke excessen een geïnstitutionaliseerde groepsidentiteit kan leiden bewijst het volgende. Een jaar of drie geleden hebben uitgeverijen ineens de multiculturaliteit ontdekt. De jacht op talenten uit de 'tweede generatie' is sindsdien geopend. Zie de successtories van Mustafa Stitou, Haffid Bouaza en Abdelkader Benali: jonge getalenteerde schrijvers die Marokkaans spreken met een Amsterdams respectievelijk Rotterdams accent. Hun succes heeft een bittere nasmaak. Want meer nog dan om hun talent blijken ze te worden gehuldigd om hun etnische afkomst, om hun aangepraat verscheurd bestaan tussen twee culturen.

Nóg wranger is het wanneer dat talent niet eens aanwezig is, zoals in het geval van Naema El Bezaz en Hans Sahar, wier succes echt niet te danken is aan het hoge Pietje Bell-gehalte van hun werk. In het meest ongunstige geval kan zo een klimaat worden geschapen dat rijp is voor gedachtes in de trant van: “Als de Berbers een Thomas Mann voortbrengen zullen wij hem lezen.”

Nog een voorbeeld. Enige tijd geleden heeft de publicist en programmamaker Anil Ramdas - die overigens vaak zinnige dingen schrijft - zonder blikken of blozen geroepen dat hij het een schande vindt dat hedendaagse Nederlandse schrijvers zo weinig de multiculturele samenleving laten terugkomen in hun verhalen en romans. Zo wordt de hogere kunstvorm van de letterkunde, waarin geworsteld dient te worden met thema's als Dood, Liefde, God, Eenzaamheid, Vriendschap, Melancholie etcetera, gepolitiseerd tot het triviale niveau van het al dan niet figureren van een Surinaamse man of een Turkse vrouw.

Een gevaar van een dergelijke politisering is dat multiculturaliteit tot een strijdplan verwordt, tot multiculturalisme, tot een dogma. Een dogma dat zowel allochtonen als autochtonen frustreert, omdat vele nobele doch geforceerde intenties in de praktijk niet haalbaar blijken. Op die manier wordt de behoefte alleen maar groter. Televisiemakers tobben met 'black-casting', theaters ondernemen krampachtige pogingen om allochtoon publiek te interesseren, musea bezinnen zich over 'culturele diversiteit' van tentoonstellingen en concertprogrammeurs breken zich het hoofd over de programmering van wereldmuziek.

Het absurde is dat Kunst en haar schone (of lelijke) uitingen zo verworden tot een behoefte, een behoefte waaraan in het uiterste geval zelfs rechten ontleend kunnen worden. Schoonheid (of lelijkheid) is geen behoefte, maar veeleer een bezieling, een extase. Schoonheid is geen dorstende mond, noch een uitgestrekte ledige hand, maar een ontvlamd hart en een verrukte ziel. Alleen op deze manier kon de tragische liefde van Goethes Werther voor Lotte ontstaan en een archetype worden, en heeft Bachs Matthäuspassion model gestaan en tot inspiratie gediend voor miljoenen componisten en muziekliefhebbers over de gehele wereld.

Deze kunstenaars hebben, ongeacht hun afkomst, op persoonlijke en artistiek meesterlijke wijze uiting gegeven aan een sensatie die als universeel opgeld doet en daarmee hun werkelijkheid geduid. Om met de woorden van Kahlil Gibran af te sluiten: “Schoonheid is niet het beeld dat je zou willen zien, noch het lied dat je zou willen horen, maar veeleer een beeld dat je ziet al sluit je je ogen, en een lied dat je hoort, ook al sluit je je oren.”