Departementale wisselwoning

Het Torentje van premier Kok op het Binnenhof is een vertrouwd beeld in de media. Maar wie kent het 'Torentje' van de premier van ons buurland België, Luc Dehaene? Deze vraag is niet zo vreemd als op het eerste gezicht lijkt, want bij toeval ontdekte ik dat het kabinet van de Belgische minister-president een verrassend nauwe band met ons eigen land heeft.

Dat ging zo. Deze maand is het tweehonderd jaar geleden dat het ministerie van Buitenlandse Zaken werd opgericht. Dat moet herdacht worden, vindt 'BZ' en daarom werken enkele mensen op dit moment aan een kloek boek over de geschiedenis van het departement: over buitenlands beleid, over diplomaten en ambtenaren, over pers en protocol.

Mij werd de taak toebedeeld de huisvesting van het ministerie van 1798 tot heden te beschrijven. Dat betekende dat ik op zoek moest naar ons voormalig ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel. Dat klinkt gek, maar in de tijd dat België en Nederland één staat vormden (1815-1830), zat onze regering - en dus ook de minister van BZ met zijn ambtenaren - afwisselend in Brussel en Den Haag.

Van het toenmalig departement in Brussel kende ik alleen het oude, historische adres: Hertogstraat 1064. Ik wist echter niet waar dit anno 1998 mee correspondeerde - en of het nog wel bestond. Ik besloot de hulp in te roepen van de Belgische ambassadeur in Den Haag, Johan Swinnen. Het betreft immers ook het verleden van zijn departement. Bovendien heeft hij vele jaren in Brussel gewoond. Maar Swinnen had geen flauw idee waar ons gezamenlijk BZ-ministerie zich bevonden had. Evenmin wisten de BZ-ambtenaren in Brussel iets over dit onderwerp. Om mij toch verder te helpen gaf Swinnen de adressen van diverse Belgische archieven en instellingen op het gebied van historische huizen.

Zo reisde ik naar Brussel, waar het Stadsarchief uiteindelijk het verlossende antwoord gaf: het toenmalige adres Hertogstraat 1064 correspondeert met het huidige adres Wetstraat 16. Het Stadsarchief had er ook afbeeldingen van. Zij lieten een laat 18de-eeuws prestigieus pand zien, gelegen recht tegenover het Park van Brussel. Het is nog altijd volop in gebruik, vertelde de archivaris: als kabinet van de premier.

Deze verrassende mededeling maakte mij extra nieuwsgierig naar het bewuste huis. Omdat ik toch in Brussel was, besloot ik er direct heen te gaan om het met eigen ogen te bekijken. Terwijl ik aldaar de dienstdoende ambtenaar mijn zaak voorlegde, kwam Dehaene zelf binnenlopen, links en rechts 'Goedenmorgen' wensend en mij zowaar een hand gevend.

Mijn wens werd vervuld: ik kreeg een rondleiding door het huis. Ik zag zeer elegante ruime vertrekken met weelderig gestuukte plafonds en prachtige bewerkte boiserieën, gegroepeerd rond een grote hal met monumentale trap.

Bijna negen jaar, van 1815 tot 1824, werkte en woonde onze minister van Buitenlandse Zaken in dit schitterende herenhuis. Heel wat mooier dan het toenmalige krakkemikkige departementsgebouw aan het Buitenhof in Den Haag, waarover de ambtenaren zich beklaagden en dat inmiddels afgebroken is.

Maar ook heel wat duurder dan die Haagse behuizing - en dat vonden de zuinige Hollanders eigenlijk geldverspilling. In 1824 werd daarom de huur van de Wetstraat opgezegd en BZ verhuisde naar een eenvoudiger onderkomen in de stad. Zes jaar later, bij het uiteenvallen van het Koninkrijk, werd Brussel trouwens definitief verlaten.

Op het Kabinet van Dehaene was men geheel onkundig van dit verleden. Men toonde zich dan ook verrast over het feit dat uitgerekend dit pand het gezamenlijk ministerie van Buitenlandse Zaken was geweest. Maar het meest verrast was de hulpvaardige ambassadeur Swinnen zelf. Tot zijn komst naar Den Haag had hij drie jaar gewerkt als diplomatiek adviseur van de premier. Waar? Juist ja: op Wetstraat 16.