Debâcle live op CNN: Irak verdeelt Amerikanen

Spreekkoren, kritische en vijandige vragen: drie Amerikaanse beleidsbepalers wisten gisteren aan Ohio State University nauwelijks steun te kweken voor een actie tegen Irak. Een debacle, live op CNN.

WASHINGTON, 19 FEBR. Een poging van de Amerikaanse regering om steun van de publieke opinie te winnen voor een eventuele militaire actie tegen Irak, is gisteren uitgelopen op een pijnlijke mislukking. Voor het oog van de wereld werden de drie beleidsbepalers van de Amerikaanse buitenlandse politiek uitgefloten en overladen met kritische, en soms zelfs ronduit vijandige vragen.

Minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright, haar collega van Defensie William Cohen en Nationale Veiligheidsadviseur Sandy Berger waren naar de campus van Ohio State University in de stad Columbus gekomen om in een openbare discussie toelichting te geven op het Amerikaanse beleid tegenover Irak. In het basketball-stadion van de universiteit zouden ze vragen beantwoorden van gewone Amerikanen (studenten, militairen, veteranen en andere belangstellenden), in de hoop zo begrip te kweken voor de Amerikaanse opstelling in de huidige crisis. Met CNN was afgesproken dat de hele bijeenkomst van anderhalf uur live zou worden uitgezonden, in de VS en wereldwijd.

Al na enkele minuten bleek echter dat de roadshow van politieke zwaargewichten niet verliep zoals de regering had gehoopt. Vanaf de tribunes maakte een groepje van enkele tientallen demonstranten minister Albright het spreken herhaaldelijk onmogelijk. In de holle akoestiek van het halfvolle stadion overstemden ze de minister moeiteloos, met afkeurend geloei en met spreekkoren als 'One, two, three, four, we don't want your racist war', of kortweg 'bullshit, bullshit'.

CNN-presentator Bernard Shaw probeerde de situatie te redden, met de vermaning: “Een stuk of twaalf van jullie zitten te schreeuwen, maar de meesten willen de minister horen”, wat van de tribunes met een instemmend applaus werd beaamd. Albright kon daarop haar betoog hervatten, maar nog herhaaldelijk werden zij en haar collega's door de demonstranten overschreeuwd. Een enkele herriemaker werd uit het stadion verwijderd.

Maar niet alleen het kleine, luidruchtige groepje drong de politici in het nauw. Ook veel vragenstellers die zich wèl aan de regels van het debat hielden, bleken weinig heil te zien in de manier waarop Washington de crisis met Irak aanpakt. “Zijn we ook bereid om grondtroepen te sturen om het karwei af te maken, of doen we het op een halfbakken manier?” vroeg een geëmotioneerde veteraan. “Waarom staan we wèl toe dat andere landen in het Midden-Oosten wapens voor massavernietiging hebben?”, vroeg iemand anders. En weer een andere vragensteller merkte op: “Als militaire actie moet verhinderen dat Saddam Hussein zijn buren bedreigt, zoals de regering zegt, hoe komt het dan dat die buren een Amerikaanse aanval niet steunen?”

De bewindslieden beantwoordden sommige vragen, en omzeilden andere. Saddam is een geval apart omdat hij al eerder wapens voor massavernietiging heeft gebruikt, betoogde Albright. En op de vraag waarom Washington andere landen die de mensenrechten schenden met rust laat, antwoordde ze:“Ik ben werkelijk verbaasd dat mensen het nodig vinden het op te nemen voor Saddam Hussein” - waarop de vragensteller verontwaardigd terugkaatste:“U beantwoordt mijn vraag niet, madame Albright”.

Het publiek leek zich op te splitsen in twee kampen, die ieder antwoord begroetten met applaus, danwel afkeurend gejoel. De stormachtige bijeenkomst, en de uitzending ervan over de wereld, kan Washington geen goed hebben gedaan. Er is weliswaar geen aanleiding om te geloven dat het rumoerige publiek in Columbus een representatieve afspiegeling was van de Amerikaanse bevolking. Maar het chaotische tafereel was ook geen uitdrukking van een eendrachtig volk dat vastberaden achter zijn president staat. Het deed allemaal denken, haastten politieke commentatoren zich op te merken, aan de studentenprotesten tegen de oorlog in Vietnam.

Albright zei in haar afsluitende opmerkingen dat de essentie van Amerika is dat een dergelijke stevige gedachtenwisseling mogelijk is. Ook woordvoerders van het Witte Huis probeerden een positieve draai aan het debâcle te geven. Het verloop van de middag had laten zien dat de regering er goed aan doet om met haar boodschap het land in te trekken, want er is nog veel uit te leggen.

Maar of de regering er ook goed aan heeft gedaan om een universitaire campus uit te zoeken voor de discussie over militair optreden, werd gisteren in Washington door veel politieke waarnemers betwijfeld. “Buitenlandse politiek maak je niet in een stadion”, merkte een televisie-commentator op. Richard Haass, directeur buitenlands politieke zaken van de Brookings Institution en onder president Bush lid van de Nationale Veiligheidsraad, vreest dat Saddam Hussein zich door de rumoerige bijeenkomst aangemoedigd zal voelen om zijn poot stijf te houden. “Zo kunnen deze studenten, die zo duidelijk tegen een oorlog gekant waren, ironisch genoeg een oorlog dichterbij hebben gebracht”.

Maar Berger waarschuwde Saddam Hussein onmiddellijk na de uitzending al geen voorbarige conclusies te trekken. “Ik geloof geen seconde dat hij kan of moet geloven dat 40, 50, 200 mensen in een zaal van zesduizend mensen de wil van het Amerikaanse volk weerspiegelen, of dat zij op de één of andere manier de president van de Verenigde Staten kunnen beïnvloeden. Uiteindelijk is er maar één man die beslist, en hij baseert zich niet op opiniepeilingen of op veertig schreeuwers, maar op ons nationale belang”, aldus Berger.

Opmerkelijk was dat de kritiek en de twijfels van de vragenstellers in het stadion, zowel uit linkse als uit rechtse hoek kwamen. En met name Cohen en Berger bleken er niet goed op voorbereid om in klare taal het pleit te winnen. De vorm van een zogeheten town hall meeting, die president Clinton vaak met succes heeft gebruikt, bleek onvoorziene risico's met zich mee te kunnen brengen. De bewindslieden maakten van de korte onderbrekingen die in de uitzendingen ingelast waren voor reclameboodschappen, gebruik om fluisterend de koppen bij elkaar te steken. Ze waren overduidelijk door de heftigheid van de reacties overvallen.

Ook vragenstellers uit het buitenland konden, per telefoon, vragen aan de bewindslieden stellen. Een beller uit Nederland bracht de opstandelingen tegen Saddam Hussein in herinnering, die na de Golfoorlog in het zuiden van Irak de wapens opnamen. “Niemand hielp hen, zelfs Nederland niet.” Zou hetzelfde scenario zich deze keer niet herhalen? Cohen beperkte zich tot een formeel antwoord. “Het is altijd ons beleid geweest oppositiegroepen te steunen, en dat zullen we blijven doen”.