De functionarissen slaan terug

Het was de avond van de grote zelfrechtvaardiging.

Een belangrijk deel van de zendtijd ging op aan verklaringen van functionarissen, die zich in hun kuif gepikt voelden. Eerst sportbestuurder Wouter Huibregtsen op ongeveer alle netten, toen procureur-generaal Docters van Leeuwen bij Nova. Spannende televisie, dat zeker, al was het jammer dat de tegenspelers - respectievelijk journalist Hans van Wissen en minister Sorgdrager - ontbraken.

Er werden keiharde noten gekraakt. De hardste gold een hele beroepsgroep. Het was dit citaat van Huibregtsen waarvan ik aanneem dat ik het zonder zijn toestemming mag overnemen: “Ik zal mijn vrienden voortaan beter moeten kiezen. Om door een vriend vermoord te worden, dat is onbeschrijfelijk. Ik zal nooit meer een journalist tot vriend nemen.”

Dat kan de journalistiek in haar zak steken. Ik ken iemand die een journalist zelfs tot man heeft gekozen, en die heeft er af en toe ook al zo'n enorme spijt van - er moet iets met dat beroep aan de hand zijn.

Misschien moeten de journalisten beginnen met zelf zorgvuldiger hun vrienden te kiezen. Jan Kees Hulsbosch, de ombudsman van de Volkskrant, zinspeelde daar al op toen hij afgelopen zaterdag in zijn column dit citaat van Jan Blokker overnam: “De journalist zit terzijde, kijkt, loert, stelt af en toe een vraag (...) en laat zich door de tegenpartij meneer noemen.”

Het was een hoogst opmerkelijke column van die ombudsman, omdat hij de publicatie in zijn krant van het interview (?) met Huibregtsen afkeurde: “Mij dunkt dat de krant in een onbewaakt ogenblik door de publicatie van enkele woorden toch te ver is gegaan.”

De vraag of Huibregtsen de gewraakte beledigingen ('saboteur', 'lafaard', 'judas') aan het adres van prins Willem-Alexander inderdaad heeft uitgesproken, is intussen steeds minder relevant geworden. Daar komen we toch nooit meer achter. Het gaat er in de eerste plaats om of hij die uitspraken in de context van een interview heeft gedaan. Ook dat zullen we nooit met zekerheid weten, maar de verklaringen van Huibregtsen - en ik heb ze allemaal gehoord - waren consistent genoeg om de nodige twijfel te zaaien over de rol van Van Wissen.

Huibregtsen wist aannemelijk te maken dat hij ervan mocht uitgaan dat het om een vertrouwelijk gesprek ging. Van Wissen en hij waren al vanaf 1992 bevriend, hij was vorig jaar nog op het jubileumfeestje van de toenmalige sportjournalist geweest. Huibregtsen hamerde erop dat hij de laatste jaren nooit meer door Van Wissen was geïnterviewd. Bovendien was Van Wissen vanaf 1 oktober vorig jaar geen sportjournalist meer. Van Wissen had hem de laatste maanden vaker gebeld 'om te zeggen hoe het erg was' en nooit was daarvan iets gepubliceerd.

Heeft Van Wissen die morgen dat Huibregtsen hem op zijn verzoek terugbelde, duidelijk genoeg gezegd dat het om een interview ging? En heeft Huibregtsen, die als een competente, beheerste bestuurder bekendstaat, daarop doelbewust de uitlatingen gedaan waarvan een klein kind kon weten dat het hem - om hem nog even te citeren - 'zijn sportieve en maatschappelijke carrière zou kosten'?

Alles is mogelijk, maar niet alles wat mogelijk is, is ook waarschijnlijk.

En er is nog een derde vraag die mij bezighoudt: als Huibregtsen die uitlatingen wel degelijk welbewust in een interview heeft gedaan, had Van Wissen hem dan - als vriend - geen tweede kans moeten bieden door hem terug te bellen en het verslag van het gesprek aan hem voor te leggen?

Mart Smeets, die de hevig geëmotioneerde Huibregtsen in Studio Sport een half uur lang interviewde, wees steeds weer op diens onmogelijke positie: “U bent verliezer, u staat met 12-0 achter, de publieke opinie is tegen u.” Voor Smeets was de koers kennelijk gelopen, maar ik weet dat nog niet zo zeker. Die publieke opinie is een grillig ding, vooral sinds de opkomst van de televisie. De stemming van de natie kan snel omslaan. Wie had twee weken geleden kunnen denken dat Nova nog eens met zoveel mildheid en begrip 'de muiter' Docters van Leeuwen zou interviewen?

Toch gebeurde dat gisteravond. “Ik kan het niet begrijpen, ik kan het niet begrijpen!” riep Docters van Leeuwen radeloos over zijn ontslag. Ik zat erbij, ik keek ernaar en ik moest toegeven dat ik er ook steeds minder van begreep.