BEVOEGDHEDEN

In de Grondwet staat dat de gemeenteraad 'het hoofd van de gemeente' is (artikel 125). De bevoegdheden van het gemeentebestuur staan goeddeels vermeld in de Gemeentewet, waarvan in 1994 een herziene versie van kracht werd. Zowel in de Grondwet als in de Gemeentewet is vastgelegd dat 'de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente' aan het gemeentebestuur wordt overgelaten. Tegelijkertijd wordt de gemeentelijke autonomie beperkt door andere wettelijke voorschriften die het rijk (en de provincies) uitvaardigen.

Gemeentebesturen hebben het dus maar ten dele voor het zeggen in hun eigen gemeente. Zij voeren veel rijksbeleid uit. Een goed voorbeeld is de Algemene Bijstandswet. Die is door het kabinet, in het bijzonder de minister van Sociale Zaken, en het parlement gemaakt. Op landelijk niveau worden dus de regels vastgesteld, zoals de hoogte van een uitkering en de voorwaarden om er een te ontvangen. De burger die een uitkering wil hebben, moet zich niettemin bij de sociale dienst in zijn gemeente melden. Voor het functioneren van deze gemeentelijke afdeling is een wethouder bestuurlijk verantwoordelijk. Maar over de inhoud van het beleid heeft deze politieke functionaris betrekkelijk weinig zeggenschap. De gemeente voert de Algemene Bijstandswet in medebewind uit. Voor hun financiën zijn de gemeenten grotendeels afhankelijk van het rijk. Ze krijgen een algemene uitkering uit het Gemeentefonds, waarvan de hoogte van een aantal factoren afhankelijk is, waaronder het inwonertal. En ze krijgen specifieke uitkeringen, bijvoorbeeld voor onderwijs, de politie en de bijstand. Gemeenten hebben verder enkele eigen belastingen. De hoogte hiervan wordt door de gemeenteraad bepaald. Het gaat om bijvoorbeeld onroerendzaakbelasting, hondenbelasting, reclamebelasting, woonforensenbelasting, toeristenbelasting en parkeerbelasting. Gemeenten zijn meestal niet verplicht deze belastingen te heffen. Maar ze zijn wel van toenemend belang voor de gemeentelijke inkomsten. Kwam in 1985 nog 93 procent van de gemeentelijke inkomsten van het rijk, in 1995 was dit aandeel teruggelopen tot 84 procent. In geld uitgedrukt is de opbrengst van de gemeentelijke belastingen in deze periode meer dan verdubbeld (van 4 miljard in 1985 naar 8,5 miljard in 1995). Hoe meer 'eigen' inkomsten een gemeente verwerft, hoe groter de ruimte is voor eigen gemeentelijk beleid. Verder kent de gemeente retributies zoals reinigingsrechten, rioolrechten en precariorechten. Het zijn er in totaal zo'n 35, maar de aantallen variëren van gemeente tot gemeente. Deze retributies dienen als vergoeding voor gemeentelijke dienstverlening; de tarieven mogen ten hoogste kostendekkend zijn.