Zonder straathoekwerker wordt de buurt niet veilig

De resultaten van het grotestedenbeleid zijn volgens staatssecretaris Kohnstamm (Binnenlandse Zaken) hoopgevend. Na een praktijkvoorbeeld gisteren uit Deventer vandaag de herontdekking van het welzijnswerk in Utrecht.

UTRECHT, 18 FEBR. “Wij investeren vooral fors in veiligheid.” Zo vat de Utrechtse wethouder Pauline van der Linden de prioriteit van het grotestedenbeleid in Utrecht samen. Andere thema's uit het grotestedenbeleid - haar portefeuille binnen het college - zijn daaraan vaak gekoppeld. Een voorbeeld is het ontwikkelen van werkgelegenheid. Nogal wat Melkert-banen zitten in allerlei toezichtfuncties. Uit enquêtes die de gemeente in elke wijk laat uitvoeren, blijkt dat vooral de zichtbaarheid van toezichthouders bijdraagt aan het gevoel van veiligheid op straat.

“We zien veiligheid niet meer als meer politie op straat”, aldus Hans Versnel. Hij is wijkmanager bij het wijkbureau zuidwest en als zodanig de ogen en oren van het college in dat deel van de stad. Versnel: “Het gaat bijvoorbeeld ook om ruimtelijke inrichting.” Hij wijst op een pleintje in de Dichtersbuurt. “Hier op het plein staan bankjes. Die zijn al ettelijke keren verplaatst, maar dat helpt niet echt. Het is een rondhangplek voor jongeren geworden. Daar moet weer een straathoekwerker op.”

Het is een van de lessen die Utrecht uit het grotestedenbeleid heeft getrokken. Als je problemen echt wilt aanpakken, moet je die aanpakken met ruimtelijke maatregelen tegelijk met economische én sociale maatregelen. Een integrale aanpak, heet dat in beleidsjargon. Bankjes verplaatsen én een straathoekwerker dus.

“In het verleden hebben we toch wat al te gemakkelijk bezuinigd op het opbouwwerk, het welzijnswerk, het jongerenwerk”, aldus wethouder Van der Linden, die behalve voor het grotestedenbeleid primair verantwoordelijk is voor welzijn, volksgezondheid en cultuur.

Je moet ook niet te snel denken dat je een probleem hebt opgelost, blijkt uit een ander voorbeeld van wijkmanager Versnel. In zijn wijk had de gemeente een pand aangekocht als ruimte voor oudere Marokkaanse jongeren. Ratio daarachter was met name deze categorie te scheiden van jongere Marokkaanse tieners om te voorkomen dat ze een slechte invloed op hen zouden hebben. In het pand werden enkele jongeren uit dezelfde etnische categorie aangesteld als beheerder. Versnel: “Mooi, denk je. Totdat het in de fik gestoken werd. Wat gaan we nu doen?”

Achteraf is gebleken dat er al een tijdje signalen waren dat de opvang voor de oudere Marokkaanse jongeren niet helemaal voldeed. Wethouder Van der Linden: “De beheerders meldden ons: 'We willen activiteiten'. Maar het welzijnswerk reageerde met: 'Ach, dat loopt niet'.” Sowieso hadden de beheerders het moeilijk. Ze hadden nauwelijks overwicht op hun leeftijdgenoten, en ze waren eigenlijk ook met te weinig, constateert Versnel achteraf.

“We hebben onderschat wat er meer moest gebeuren dan het scheiden van jongeren en oudere jongeren”, concludeert wethouder Van der Linden. “Er is een vervolg nodig. Die jongens hebben perspectief nodig. En ze vrágen erom. Dan moet je dus niet roepen 'dat wordt toch niks'. Die groep, die zit daar en die wil wat. Die moet je dus ook uitzicht geven op zinnige activiteiten, op scholing, op werk.”

Dat is een combinatie van benaderingen die maar moeilijk past in de traditie van het openbaar bestuur. De beide jongerengroepen waren vooral uit het oogpunt van veiligheid en het voorkomen van criminaliteit van elkaar gescheiden. Maar het bezighouden van die jongeren valt onder het welzijnswerk. En werkgelegenheid is weer een ander chapiter. Grotestedenbeleid dwingt de gemeenten dat soort verkokering te doorbreken. Een visitatiecommissie beoordeelt gemeenten naar de mate waarin ze erin slagen problemen 'integraal' aan te pakken.

Versnel maakt een vergelijking met de stadsvernieuwing, twintig jaar geleden. Toen is de fout gemaakt alleen de huizen op te knappen en niets te doen aan sociale maatregelen. Ook is de versterking van de economische structuur van buurten toen buiten beeld gebleven. Misschien waren extra sociale maatregelen toen minder nodig, omdat het welzijnswerk nog floreerde, maar dat is nu in elk geval niet meer zo. Wijkmanager Versnel: “Als je in de naoorlogse wijken alleen de huizen opknapt en de riolering vernieuwt, maken we dezelfde fout als toen. En bedenk wel: de problemen in de naoorlogse wijken van nu zijn véél groter dan die in de vooroorlogse wijken in de tijd van de stadsvernieuwing. Zoiets als 25 of 30 nationaliteiten in één buurt, dat had je toen niet. Je ziet nu al dat er een nieuwe probleemgroep in opkomst is: de Somaliërs. Die gaan zich concentreren in een bepaalde buurten in Nederland.”

Onorthodoxe maatregelen zijn nodig en die zetten vaak op onverwachte punten zoden aan de dijk, heeft Versnel ervaren. “We hebben bijvoorbeeld een werkgroep sociale veiligheid hier in de wijk met Nederlandse en buitenlandse vrouwen die samen praten over sociale-veiligheidsaspecten, bijvoorbeeld over ruimtelijke inrichting. Dat blijkt niet alleen heel goed te werken, maar daarmee hebben we er ook een echte gesprekspartner bij in de Marokkaanse gemeenschap, naast het bestuur van de moskee. En je ziet zo langzamerhand dat die dames ook uit eigen beweging het wijkbureau bellen als er iets is. Dat gebeurde anders bij buitenlandse vrouwen nooit. Ik vind dat dit soort dingen veel meer moeten worden gedaan. Daarmee versterk je netwerken in de buurt. Maar het is heel intensief werk. In dit geval hebben twee opbouwwerkers huis aan huis met iedereen in dat deel van de buurt gesproken.”

Als ze een wensenlijstje op tafel mag leggen voor het vervolg van het grotestedenbeleid vraagt wethouder Van der Linden in de eerste plaats om continuïteit. Eén kabinetsperiode is te weinig om effect te sorteren. Daarnaast zou ze meer bemoeienis willen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Van der Linden: “Met name voor opbouwwerk, jongerenwerk en welzijnswerk. Dat hebben we absoluut nodig, naast ruimtelijke en economische zaken, om de grotestedenproblematiek aan te pakken.”