Tarantino verrast met film voor volwassenen; Filmfestival van Berlijn is wanhopig op zoek naar een nieuwe identiteit

Het Filmfestival van Berlijn is na het vallen van de Muur vooral een etalage van Hollywood geworden. De origineelste films in competitie komen dit jaar ook uit Amerika.

BERLIJN, 18 FEBR. Een van de grootste bouwputten van Europa bevindt zich rondom de Potsdamer Platz, die een kwart eeuw lang doorsneden werd door de Berlijnse Muur. Daar hoopt het Internationale Filmfestival van Berlijn over twee jaar, tijdens de vijftigste editie, zijn eigen gebouwencomplex te betrekken, samen met onder meer de Deutsche Kinemathek. Het 48ste festival is nog ondergebracht in een paar oude bioscopen en een modern hotel, en zoekt wanhopig naar zijn identiteit. Met de Muur verdween immers ook de functie van ontmoetingspunt tussen Oost- en West-Europese filmculturen; vooralsnog kwam er weinig anders voor in de plaats dan een etalage voor de grote Amerikaanse filmmaatschappijen. De data van Berlijn, vlak na de Oscarnominaties en ruim voor het begin van de zomer, zijn voor het filmbedrijf gunstiger dan die van Cannes.

Natuurlijk zijn er ook niet-Amerikaanse films in de competitie om de Gouden Beer, zoals het vorige week goed ontvangen, verdienstelijke regiedebuut van Jeroen Krabbé, Left Luggage. De Engels gesproken Nederlands-Belgische coproductie, gebaseerd op Carl Friedmans roman Twee koffers vol, in een scenariobewerking van Edwin de Vries, mikt op de traanklieren en schuwt desondanks vals sentiment. Vooral Krabbé zelf, als door de oorlog getraumatiseerde chassidische vader die zijn zoontje geen liefde kan geven, overtuigt.

In de mediablitz van Berlijn gaat de meeste aandacht toch uit naar het nieuwste uit Hollywood, temeer daar de Amerikaanse films in de competitie de origineelste zijn. De niet-realistische vormgeving van The Big Lebowski van de broers Joel en Ethan Coen werkt bijvoorbeeld als een frisse douche te midden van al die braaf ogende competitiefilms. Jeff Bridges speelt The Dude, een oudere jongere uit Los Angeles, die het grootste deel van zijn leven op de bowlingbaan doorbrengt en verwikkelt raakt in een Raymond Chandler-achtige nachtmerrieplot.

De jonge producent Lawrence Bender heeft maar liefst twee films in competitie. Het vorige week voor negen Oscars genomineerde Good Will Hunting van regisseur Gus Van Sant is de realisering van een jongensdroom van de acteurs Matt Damon en Ben Affleck, die ook twee hoofdrollen spelen in het door hen geschreven scenario over een straatjongen uit Boston (Damon), die de gang schoonmaakt in het Massachusetts Institute of Technology en blijkt over een grotere wiskundeknobbel te beschikken dan de ijdele professor (Stellan Skarsgard). Om die gave te benutten moet deze Will Hunting eerst afleren iedereen die hem in de weg staat in elkaar te slaan. Hij is elke psychiater te slim af, behalve de excentrieke Robin Williams. Good Will Hunting is een sympathieke feel good movie, niet minder maar zeker niet meer.

Met zijn vaste kompaan Quentin Tarantino maakte Bender ook Jackie Brown, de lang verwachte eerste echte film van Tarantino sinds Pulp Fiction. Jackie Brown is zijn eerste film voor volwassenen; op Bridget Fonda na zijn alle personages boven de veertig en is hun gevecht met het ouder worden zelfs een verrassend neventhema. Tarantino varieert uiteraard weer op genreconventies, met name de zogeheten blaxploitation-films uit de jaren zeventig, maar de stijl is bijna gedragen klassiek, met lange loop- en rijshots en meer aandacht voor de personages dan voor de plot. De acteurs laten zich van hun allerbeste kant zien, vooral voormalige actieheldin Pam Grier als een stewardess met een verleden en Robert De Niro als kruimelgangster. Tarantino logenstraft het vermoeden dat hij een eendagsvlieg zou zijn met deze, meer dan alleen cinefiel rijpe, verrassend levenswijze film.