Schoolbesturen verlammen het onderwijsbeleid; De horeca is dolgelukkig met zoveel gepraat

De gezamenlijke onderwijsbonden voeren deze week acties voor de uitwerking van de eerder afgesproken arbeidstijdverkorting. De eis van de leraren om te komen tot een verkorting van de werkweek met twee lessen lijkt bescheiden. De werkomstandigheden van de Nederlandse leraar zijn immers veel slechter dan die van collegae elders in Europa.

Werkgevers laten via de media ook geregeld weten dit probleem te erkennen. Ook zij vinden de belasting van de onderwijsgevende onaanvaardbaar hoog. Het probleem is alleen dat zij, naar ze zeggen, niet over de middelen beschikken om daar iets aan te doen. Het geld dat ze hebben gebruiken ze liever voor andere dingen die de werkdruk kunnen verlichten. Maar hoe die verlichting er precies gaat uitzien laten de bestuurders nog even in het midden.

Deze stellingname van de werkgevers is even eigenaardig als onbegrijpelijk. Een leraar geeft les, dat is zijn werk. Minder werken betekent dus minder lessen. Bovendien mag de financiering geen probleem zijn. Welnu, het bedrag dat is uitgetrokken voor korter werken beloopt 600 miljoen. Eén lesuur minder per week schijnt 200 miljoen te kosten. Dat suggereert dat er meer ruimte is dan er door de leraren gevraagd wordt. Het komende anderhalf jaar kan de eis van de bonden in ieder geval betaald worden, en na die periode zit er allang een nieuw kabinet. Dat zal ook wel vinden dat er meer geld moet komen voor onderwijs.

Niks aan de hand dus. Er is geld, er ligt een afspraak en bij uitvoering is de kou uit de lucht. Maar dat is nu net waar de schoen wringt: de uitvoering. Het onderwijs is inmiddels zo georganiseerd dat het centraal verstrekken van middelen evenveel effect heeft als uitdelen van ontwikkelingshulp aan een bananenrepubliek. Er blijft nogal wat aan de strijkstok hangen. Dat komt omdat er zijn drie niveaus zijn waar de wezenlijke beslissingen genomen worden: het ministerie, de besturen en de directies van scholen.

De laatste jaren is er driftig gedecentraliseerd. Dat betekent dat de geldverstrekker, de overheid, een stap terug gedaan heeft door minder aan regelgeving en budgettering te doen. De school heeft meer ruimte om zichzelf onderwijskundig te profileren. De burger moet wat te kiezen hebben.

Het bestuur is in deze opzet de plaats geworden waar het geld samenkomt. En door meer scholen onder één bestuur te plaatsen, zo is de redenering, wordt de eigenlijke activiteit, het geven van onderwijs, makkelijker betaalbaar. Het schoolbestuur wordt in dit model gezien als een modern en wendbaar instituut dat tegen de achtergrond van een eigen identiteit op de eisen van de samenleving anticipeert.

Zo zou het moeten werken. Maar door de beleidsmakers is over het hoofd gezien dat bepaalde zaken zich misschien wel beter centraal laten regelen. De milieuvervuiling rond Pernis reduceren is een prijzenswaardige doelstelling, maar investeringen zijn volstrekt zinloos als de Belgen vrolijk door blijven stinken. In het geval van het onderwijs laat het afschuiven van taken door Den Haag zich prima met dit voorbeeld vergelijken. Er is door de decentralisatie geen enkele efficiencywinst geboekt. De verschillende besturen doen aandoenlijk hun best om de zaken zo goed mogelijk te regelen, maar het blijven logge namaakministeries, die de maatregelen uit Zoetermeer nog eens dunnetjes overdoen. Personeel en klanten hebben geen enkel profijt van hun handelen.

Leerlingen moeten in het voortgezet onderwijs zo opgeleid worden dat ze na het behalen van een diploma tot een vervolgopleiding kunnen worden toegelaten. Het zou prettig zijn als hierbij in heel Nederland sprake is van uniformiteit. Elke VWO-opleiding dient naadloos aan te sluiten bij de eisen die gesteld worden door de universiteiten. Dit kan dus maar beter centraal geregeld worden.

Datzelfde geldt voor de arbeidsvoorwaarden. Een eenduidig centraal akkoord tussen baas en bonden over werktijd en salaris voorkomt rechtsongelijkheid en beschermt de zwakke werknemer.

Besturende werkgevers denken hier anders over en dat is begrijpelijk. Zij willen iets te verstellen hebben. Als het aan hen ligt, worden de arbeidsvoorwaarden in elke laag, na onderhandelingen, opnieuw bepaald. Hoe lager het niveau, hoe duidelijker de invulling. De minister sluit een raamovereenkomst met de bonden. De besturen ritselen op lokaal niveau wat met vertegenwoordigers van het personeel en de scholen maken concrete afspraken omtrent de werkverdeling met de medezeggenschapsraden.

Deze manier van handelen heeft twee gevolgen. De horeca is dolgelukkig met zoveel gepraat en de lesgever is de klos. Hij zit niet in het zichzelf bevruchtende vergadercircuit en staat buiten de besluitvorming. Op hem worden de tekorten verhaald als het budget op is.

Dat alles mag in Nederland. Het bestaansrecht van de besturen staat niet ter discussie. Zij hebben een historisch verworven positie op basis van het grondrecht dat vrijheid van onderwijs garandeert. Een rare toestand. Want wat levert de arbeid van besturen in onze geseculariseerde samenleving van de jaren negentig eigenlijk op?

De werknemers worden betaald uit de staatskas. En het is de politiek die bepaalt hoeveel geld er voor onderwijs beschikbaar is. Het verdelen van middelen via besturen die dat geld daarna weer verdelen over verschillende scholen is dus overbodig. Het is duur, kost tijd, maakt besluiten onduidelijk en dus minder legitiem. Neem de huidige acties van leraren. Die zouden er niet geweest zijn als bij de CAO-onderhandelingen tussen minister en bonden in 1996 een duidelijke invulling was gegeven aan verkorting van de werkweek.

Het spel dat met de leraren wordt gespeeld is momenteel volstrekt ondoorzichtig. De gewone burger weet niet eens wie de partijen zijn in het conflict, ziet het gedoe in de media, denkt dat alle leraren overspannen zijn en snapt er niks van. De eindverantwoordelijke, de minister, drukt ondertussen zijn snor en doet alsof hij er niks mee te maken heeft.

Terwijl het zo eenvoudig is. Leraren geven in Nederland te veel les. Daar zijn afspraken over gemaakt, er is geld voor gereserveerd, maar daar wordt niks mee gedaan. Alleen maar omdat een bureaucratische laag tussen minister en scholen de middelen naar eigen inzicht heeft gebruikt. Decentralisatie komt er in dit geval op neer dat betaalde bestuurders, die ver verwijderd zijn van de eigenlijke arbeid, de kost verdienen met het verdelen van geld dat al verdeeld hoort te zijn. Een directeur van een school is ook zonder een bestuur in staat om zijn leerlingen te tellen en bij de minister kenbaar te maken met welk budget hij het komend jaar denkt rond te komen. De minister kan dan in overleg met de politiek en de bonden de kostprijs van een leerling bepalen, en de omvang van een normale werkweek en het salaris dat daar tegenover staat.