Referendum door toedoen van VVD stap dichterbij

DEN HAAG, 18 FEBR. De invoering van een correctief referendum is gisteren een stap dichterbij gekomen. Een groot deel van de VVD-fractie in de Eerste Kamer zal ondanks een aantal bezwaren toch vóór invoering stemmen, zo zei fractieleider Wiegel tijdens een debat in de senaat. Volgens minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) “kan dat niet anders dan geruststellen” voor de stemming op dinsdag 3 maart.

Daarmee is een breuk in de coalitie over dit onderwerp voorkomen. D66, dat zich traditioneel sterk maakt voor staatsrechtelijke vernieuwing, heeft herhaaldelijk laten weten dat verwerping van het voorstel zou leiden tot een “vertrouwenscrisis”. Invoering van een correctief referendum, waarbij kiezers wetsvoorstellen na goedkeuring door het parlement alsnog kunnen tegenhouden, is in 1994 op aandringen van D66 opgenomen in het regeerakkoord.

Als de senaat over twee weken inderdaad vóór stemt, betekent dat nog niet dat het referendum wordt ingevoerd. Omdat het een wijziging van de Grondwet betreft, moeten Tweede en Eerste Kamer het voorstel na de Kamerverkiezingen van 6 mei opnieuw goedkeuren. In deze 'tweede lezing' is een meerderheid van tweederde vereist. Wiegel wees erop dat er dan een heel andere Tweede Kamer en een heel ander kabinet kunnen zitten.

Het debat over invoering van een referendum heeft een lange voorgeschiedenis, zoals verscheidene fracties gisteren memoreerden. Al in 1903 dienden een aantal SDAP-leden in de Tweede Kamer een initiatiefvoorstel in. Ook in andere partijen was er altijd wel een minderheid die pleitte voor het leggen van directe beslissingsbevoegdheid bij de kiezer. In 1971 sprak een minderheid in de staatscommissie Cals/Donner, die adviseerde over Grondwet en kieswet, zich uit voor invoering van een correctief referendum. Sindsdien brengen PvdA en vooral D66 het onderwerp periodiek weer terug op de agenda.

Minister Dijkstal concentreerde zijn verdediging van het referendum op twee punten. Ten eerste vond hij het principieel juist in een democratie zoveel mogelijk beslissingen bij het volk te leggen. Daarnaast wees hij op de “anticiperende werking” die uitgaat van de mogelijkheid dat het volk zich per referendum over een bepaald besluit zal uitspreken. Beleidsmakers zouden daarom extra rekening houden met de wensen van kiezers. CDA en VVD zijn altijd in meerderheid tegen invoering van de volksstemming geweest. Wiegel haalde gisteren de woorden aan van oud-VVD-leider Geertsema die sprak van de “bijl aan de wortels van de democratie”.

Pagina 2: PvdA uit kritiek op'angstige regenten'

Volgens Geertsema, en Wiegel zei het hem na, is het correctief referendum een “zeer ernstige, ja zelfs onaanvaardbare” inbreuk op het functioneren van de representatieve democratie. Kiezers die worden gevraagd zich over één enkel onderwerp uit te spreken, zouden “gaten kunnen slaan in samenhangend regeringsbeleid”.

PvdA-woordvoerder Jurgens joeg VVD en CDA tegen zich in het harnas door hun argumenten te vergelijken met die van de tegenstanders van algemeen kiesrecht aan het einde van de vorige eeuw. “Als we de mensen - en dan ook nog de vrouwen! - dit recht gunnen stort de samenleving ineen”, parafraseerde Jurgens. Volgens hem zijn de tegenstanders van het referendum “regenten die angstig zijn en het onaangenaam vinden als de kiezers in opstand komen”.

Dat een meerderheid van de VVD uiteindelijk toch akkoord gaat, is volgens Wiegel het gevolg van de strenge voorwaarden die de VVD-fractie in de Tweede Kamer al in het oorspronkelijke voorstel heeft aangebracht.

Om een referendum te kunnen houden over een aanvaard wetsvoorstel, moeten 40.000 kiesgerechtigden binnen drie weken na aanvaarding van het gewraakte voorstel een verzoek indienen. Dat verzoek moet vervolgens door 600.000 kiesgerechtigden worden ondersteund.

Als bij het daarop volgende referendum een meerderheid tegen de wet stemt, wordt die pas daadwerkelijk verworpen als die meerderheid van tegenstemmers ten minste 30 procent van het aantal kiesgerechtigden omvat.

Dankzij deze drempels zal een volksraadpleging zelden worden gehouden, denkt Wiegel.

En met het oog op de stemming over het correctief referendum in de Eerste Kamer op 3 maart concludeerde hij: “Dat maakt dat de feitelijke uitkomst van vóór stemmen niet ver afligt van de uitkomst van tegenstemmen.”