Ouderslaapkamer

Mijn vrouw en ik delen nog dezelfde slaapkamer. Hoewel onze zoon zelf al jaren vader en ouder is, functioneert onze ouderslaapkamer nog steeds.

Dat lijkt gewoon. Dat is het toch minder. Vraag maar eens na in de wat ouder wordende kennissenkring. Want hoezeer jongeren ook bij ouderen een juist rustiger slaapgedrag veronderstellen, de praktijk is veelal anders. Woel-, snurk- en peinsgedrag nemen toe met de jaren. Menig ouder echtpaar schaft de ouderslaapkamer, die eens zo veelbelovend op de bouwtekening stond, af.

Wij deden dat dus niet. Hoewel ook onze slaapcyclus is veranderd. Ik pleeg kort na het naar bed gaan, na enige bladzijden uit het bedboek gelezen te hebben, in te slapen. Mijn vrouw begint haar nacht regelmatig met veel meer bladzijden, met nadenken - kortom met het niet in slaap vallen.

Juist als zij dan, soms maar niet altijd, een vaste en vredige slaap heeft gevat, ontwaak ik, soms. Dan neem ik de gedachten over die zij net had laten varen in de zee van zalige slaap. Als het zo gaat, is er niets aan de hand. Het huis heeft een permanente nachtwacht. We voelen ons slapend of wakker meer dan veilig.

Anders wordt het als je met je waken de ander dreigt te storen. Bijvoorbeeld als je opeens toch weer wat wilt lezen. Maar ook dan is er in ons huis een uitweg - de logeerkamer, boven. Mijn vrouw en ik hebben een techniek ontwikkeld om zo geruisloos als een luipaard de echtelijke sponde te verlaten. Menigmaal ontdekte ik pas 's morgens dat mijn vrouw die nacht in eigen huis te gast was geweest. En ook mij is het vaak gelukt het dek zó behoedzaam op te slaan, de voeten stuk voor stuk zó zacht neer te zetten, de deur zó geolied te openen, dat zij mijn vertrek, mijn vreemdgaan in eigen woning, evenmin bemerkte. Ook al deelt men de kamer dan niet, men deelt de zorg de ander niet voortijdig te wekken. Een kleine zorgzame samenleving. Héél stil dus, zonder beving of rimpeling. Zonder het minste gerucht.

Zoals die ene keer. Het lukte me niet die nacht. Mijn boek lokte. Maar ik wilde mijn vrouw niet wakker maken. Ik besloot tot de operatie logeerkamer. Nog geruislozer dan ik al beschreef verliet ik de ouderslaapkamer. Ik ging de gang door. Geen licht aan - zelfs het knopje verwekt een gevaarlijke tik. De trap op. Niet kraken met de treden. Onze trap is een goede trap. Geen gerucht laat hij horen als iemand hem bestijgt. Boven niet stommelen. Mijn vrouw hoort scherp, het huis is daar nogal gehorig. Als de beste insluiper doe ik de deur naar de logeerkamer open. Denkend aan nachtdienst als soldaat op bivak nader ik onhoorbaar het lokkende bed in de duistere kamer. Nog even en een nieuw dek ontfermt zich over mij. Nog even en het beddelampje kan aan. De laatste keer stond voor het bed een stofzuiger waarover ik viel. Met een koene stap over de denkbeeldige zuiger heen, ben ik nu bijna bij het verlossende bed. Ik wil de bedrand vatten om zachtjes te gaan liggen. Mijn hand tast, voelt, wil grijpen, vastpakken en dan...

Die hand voelt iets onheilspellends onbeweeglijks. Een vreemde massa, waarvan leven uitgaat. In een reflex trek ik m'n hand terug, kan een kreet van schrik niet onderdrukken. Er ligt al iemand. Mijn kreet wordt beantwoord door een zeker zo benauwde. Die van m'n vrouw. Die daar al lag. Die uren eerder even stil haar bed naast het mijne verlaten had en nu echt even dacht dat een inbreker zich toegang tot het huis had verschaft.

Zo waren we toch weer samen. Gasten in eigen huis. We hebben die nacht verder samen in de logeerkamer geslapen. Een nieuwe ouderslaapkamer was geboren. Een bijzondere ervaring.