Europarlementariërs konden weinig in Algerije

Europarlementariërs bezochten vorige week Algerije. Nu hopen ze enige invloed te kunnen uitoefenen op het buitenlands beleid van de EU.

STRAATSBURG, 18 FEBR. “Ik ben journalist en ook parlementariër!” riep de Duitse christen-democratische Europarlementariër Otto von Habsburg gistermiddag kwaad. Hij werd dan ook niet gehinderd en vervolgde: “De zaal is vol! Er is geen plaats voor journalisten!” Dat argument van de voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken had de bode in het ruim bemeten Straatsburgse gebouw van het Europees Parlement ook al aangevoerd. Uitsluitend commissieleden mochten het overleg bijwonen over de ervaringen van een parlementaire delegatie vorige week in Algerije.

De Europarlementariërs waren vorige week onder leiding van de Franse christen-democraat André Soulier in Algerije de situatie gaan bekijken. Soulier, tijdens de Algerijnse bevrijdingsoorlog advocaat voor Algerijnse strijders in Frankrijk, wilde de autoriteiten vooral diplomatiek benaderen. Daniel Cohn-Bendit, de Duitse Groene Europarlementariër die nog altijd bekender is als leider van de Franse studentenopstand van 1968, wilde samen met zijn Belgische liberale collega Anne André de achtergrond van de massamoorden in Algerije onderzoeken. Dat botste.

André zegt: “Eenmaal ter plaatse rezen er vragen bij ons. De autoriteiten gaven zelf toe dat ze niet in staat zijn een einde te maken aan het terrorisme. De regering kan de eigen burgers niet beschermen. Cohn-Bendit en ik geloven dat in Algerije geen vrede mogelijk is zonder een nationale dialoog waaraan ook de fundamentalisten van het verboden FIS (Front van Islamitische Redding) deelnemen.” De meerderheid van de delegatie was het daarmee niet eens en de spanningen bereikten een hoogtepunt toen voorzitter Soulier een aan de Europarlementariërs gerichte brief van het FIS in het openbaar verscheurde.

Wat denken Europarlementariërs in een land als Algerije te kunnen bereiken? André geeft toe: “Niet veel. Wij gaan geen einde maken aan het terrorisme. Maar we kunnen de dialoog met het Algerijnse parlement bevorderen.” Dat laatste was ook het oorspronkelijke doel van de reis, waartoe in september vorig jaar al besloten werd. Maar met het toenemen van de moordpartijen in Algerije veranderde dat doel. De Europarlementariërs wilden ook onderzoeken. Ze zijn daarom ook trots dat ze in Algerije meer personen hebben gesproken dan een delegatie van de Europese trojka (het huidige, vorige en volgende voorzitterschap van de Europese Unie) onlangs kon ontmoeten.

Jan-Willem Bertens, Nederlands Europarlementariër van D66, zat al eens in een soortgelijke delegatie van Europarlementariërs, die na de massamoorden in Rwanda ging kijken. Hij vindt het nog steeds “ongelooflijk” wat hij daar gezien heeft. De zin van zo'n reis? De delegatie maakt een rapport, dat wordt aanvaard door de commissie Buitenlandse Zaken en dat uiteindelijk door de voorzitter van het Europees Parlement overhandigd wordt aan de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken. De parlementariërs geven de Raad adviezen voor een te voeren beleid. Het probleem is volgens Bertens dat de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU geen gezamenlijk buitenlands beleid hebben. Maar hij gelooft dat iedere invloed, hoe weinig ook, die het Europees Parlement kan uitoefenen om iets meer overeenstemming te brengen in het buitenlands beleid van de EU-lidstaten, meegenomen is.

Arie Oostlander, Nederlands christen-democratisch Europarlementariër, heeft ook de nodige ervaring met parlementaire delegaties. Hij was begin jaren negentig rapporteur van een commissie voor voormalig Joegoslavië. Hij vindt dat de reizen naar het buitenland hun zin ontlenen aan het ontbreken van een gemeenschappelijk buitenlands beleid. “Het is vreselijk, het is gevaarlijk dat er geen buitenlands beleid is. De ministers van Buitenlandse Zaken proberen elkaar uit jaloezie van het podium te drukken. Laten wij als Europarlementariërs daarom maar proberen om namens de Europese burgers een standpunt vast te stellen over internationale kwesties.”

Hoe klein de invloed ook is die ermee uitgeoefend kan worden, het is in zijn ogen de moeite waard. Hij hoopt dat rondreizende delegaties Europarlementariërs, zelfs als er “een blindganger als Cohn-Bendit” tussen loopt, er ook toe zullen bijdragen dat er ooit één Europees buitenlands beleid komt.