Een gezellige hoorzitting

Onder minieme belangstelling uit de fiscale wereld hield de Tweede Kamer in de afgelopen weken enkele opmerkelijke hoorzittingen. De volksvertegenwoordigers lieten zich over de wenselijke toekomst van ons belastingstelsel voorlichten door fiscale hoogleraren, belastingrechters, een keur aan belastingadviseurs, ondernemersorganisaties en de vakbeweging.

Alom signaleert men twee knelpunten in het huidige stelsel: de tarieven zijn veel te hoog en het lukt maar niet (inkomsten uit) vermogen te belasten zoals de bedoeling is. Alleen voor dat laatste probleem biedt het kabinet een oplossing: het inruilen van de huidige vermogensbelasting voor een daarop gelijkende maar meer omvattende heffing. Deze vermogensrendementsheffing is overigens opvallend mild. Het kabinet vreest dat de vermogenden zich anders ook aan deze heffing onttrekken. Deze angst is er niet bij de belasting op arbeid, want die blijft zwaar.

De principiële beslissing over het nieuwe stelsel valt tijdens de komende kabinetsformatie. Omdat het daarbij om een besloten onderonsje gaat, heeft de Kamer de kabinetsnota over belastingen in de 21ste eeuw alvast op 23 maart voor een openbare bespreking met de bewindslieden van Financiën op haar agenda geplaatst. Als voorbereiding liet ze zich in hoorzittingen voorlichten door een achttal fiscale hoogleraren. Die zaten elkaar voor de ogen van de Kamerleden bij de meeste voorgelegde vragen in de haren. Waar de een veel sympathie toont voor de bestaande vermogensbelasting, wil de ander die subiet vervangen door een heffing op vermogenswinsten, een optie die de derde volstrekt onhaalbaar acht, waarna de vierde een compromis formuleert waar geen van de anderen wat in ziet. Het kabinetsplan wordt op zijn beurt neergesabeld vanwege onoverkomelijke internationale complicaties, die overigens later als een verzinsel even hard naar de prullenbak worden verwezen.

Het was ondertussen best gezellig, maar aan de gezichten van de Kamerleden viel af te lezen dat deze professorale hoogstandjes langs hen heen gingen. De later aan bod komende belastingadviseurs waren wat eensgezinder. Zij vinden dat hoge tarieven elke revolutionaire oplossing van de fiscale problemen de pas afsnijden. Bij blijvend hoge tarieven op arbeid zien ze unaniem geen perspectief voor de door het kabinet voorgestelde vermogensrendementsheffing. Dan maar liever wat lapwerk aan het huidige stelsel. Bijvoorbeeld met open geformuleerde heffingsbepalingen waar uiteindelijk de rechter een precieze invulling aan geeft. De belastingrechters kwamen met dezelfde suggestie; voor het overige uitte hun delegatie veel kritiek op staatssecretaris Vermeend (Financiën). Die zou mooie door de Hoge Raad ontwikkelde concepten met reparatiewetgeving om zeep hebben geholpen.

Echte communicatie met de Kamerleden kwam pas tot stand tijdens de ontmoeting met de werkgevers- en werknemersorganisaties. Die hadden hun bijdrage namelijk afgestemd op de politieke behoeften en op het bevattingsvermogen van hun toehoorders. De organisaties hebben trouwens in de Sociaal Economische Raad (SER) al bijna een compromisstandpunt over het kabinetsplan klaar. Die ontluikende eensgezindheid wierp in de hoorzitting haar schaduw al vooruit. De vakbeweging kan het denivellerende kabinetsplan voor een vermogensrendementsheffing accepteren zolang de vermogenden daar als groep fiscaal niet op vooruit gaan. Dat leidt onvermijdelijk tot een wat zwaardere heffing op vermogens dan het kabinet voor ogen heeft. De ondernemersorganisatie VNO kan dat alleen accepteren als de tarieven voor de arbeidsinkomsten dalen tot het laagste alternatief dat het kabinet heeft uitgewerkt: 20 tot 50 procent.

Zo'n laag tarief is alleen haalbaar bij het volledig schrappen van de belastingvrije som. Voor een verdere tariefsverlaging moet het rode potlood door de twee enige grote aftrekposten die nog resteren: de aftrek van hypotheekrente en de aftrek van pensioen- en lijfrentepremies. De hypotheekrente is politiek onaantastbaar. Een massieve en succesvolle lobby van de verzekeraars onder meer via een van de geïnviteerde wetenschappers stelt de aftrek voor oudedagsvoorzieningen wel veilig. Kamerleden reageren in dit soort zaken sterker op dergelijke lobbies en op SER-adviezen dan op geluiden uit de al dan niet objectieve wetenschap of de adviespraktijk; zeker als daar de meningen zo sterk verdeeld zijn. De parlementariërs zijn er niet op toegerust zulke uiteenlopende opvattingen inhoudelijk tegen elkaar af te wegen. Hooguit pikken ze er wat argumenten uit die hen politiek goed van pas komen. Dat is een veel te mager gebruik van unieke expertise.

Maar om er meer uit te halen zouden beide partijen in hun toenadering moeten investeren. Fiscalisten die in de Kamer invloed willen hebben, moeten zich meer in het in hun ogen misschien platvloerse politieke proces verdiepen. De toch al niet vlekkeloos draaiende ondersteuning van de Kamer kan het niet opbrengen hooggeleerde gedachten politiek gebruiksklaar te maken. Maar het gaat anderzijds te ver als de parlemetariërs visies van hun deskundige gasten pas serieus zouden nemen als meteen de nodige overgangsmaatregelen op een presenteerblaadje worden bijgeleverd. Daar leek het tijdens de hoorzitingen te veel op. Het laten aansluiten van politieke idealen op de huidige werkelijkheid behoort nu eenmaal tot het politieke handwerk.