De veelzijdigheid van oude prenten

Tentoonstelling: Ornament in prent; zeventiende-eeuwse ornamentenprenten in de verzamelingen van het Rijksmuseum. Prentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam. T/m 19/4. Publicatie: 64 blz., ƒ 22,50.

Een gravure op de tentoonstelling Ornament in prent, nu in het Rijksprentenkabinet, vat het thema van de expositie samen en illustreert tegelijkertijd de veelzijdigheid ervan. Die prent toont een portret van de edelsmid Louis Roupert. Elegant gekleed zit hij aan een tafel waarop gereedschappen liggen die verwijzen naar zijn beroep. Bovendien staat er een vaas met daarin een bundel van klaarblijkelijk uit edelmetaal gesneden en gedreven bladranken - een zogenaamd 'edelsmidboeket'. Vergelijkbare decoratieve motieven komen terug in een prent of tekening die de geportretteerde in zijn hand houdt.

In de context van een tentoonstelling die ambieert inzicht te geven in 'de verhouding tussen ontwerp en uitvoering', lijkt het op het eerste gezicht duidelijk dat de edelsmid de ornamenten op het vel papier in zijn hand gebruikt heeft als voorbeeld voor de ranken in de vaas. Toch ligt dat bij nadere beschouwing minder voor de hand. Want evengoed zou het blad een kopie kunnen zijn naar een oorspronkelijk werk van de edelsmid zelf, mogelijk gemaakt om later te verspreiden en zo als voorbeeld te dienen voor minder inventieve collega's. En misschien zou het zelfs kunnen gaan om een min of meer autonome voorstelling, die helemaal geen rol speelde in de werkwijze van de edelsmid. Deze verschillende soorten ornamentenprenten zijn vertegenwoordigd in de tentoonstelling.

Bij sommige prenten lijdt het geen twijfel dat ze speciaal zijn gemaakt om te dienen als voorbeeld voor kunstenaars of handwerkslui. Modellenboeken of afzonderlijke prenten voorzagen architecten en meubelmakers, schilders en edelsmeden van een reservoir van allerlei decoratieve vormen, waaruit vrijelijk kon worden geput. De expositie maakt dit aanschouwelijk door niet alleen prenten te tonen, maar ook andere kunstvoorwerpen waarin de in prent gebrachte ornamenten op vergelijkbare wijze voorkomen.

Zo is er een werk van de Duitse graveur Friedrich Unteutsch met een grotesk masker in lobbige fantasie-vormen. Het maakte deel uit van een modellenboek dat onder de titel Neues Zieratenbuch omstreeks 1650 in Neurenberg uitkwam. Een dergelijke prent was het voorbeeld voor de notenhouten rugleuning van een stoeltje dat in dezelfde tijd in Zuid-Duitsland is gemaakt. Maar identiek aan de prent is de, in veel eenvoudiger vormen uitgevoerde, stoel geenszins. Duidelijker is de relatie tussen een zilveren 'puntschotel' - een schaal met acht punten - gesigneerd door de Middelburgse zilversmid Johannes Looff (1631), en een prent die Hans Jansen kort daarvoor had gemaakt van een vergelijkbare schotel, versierd met verwant ornament. De maker van de schaal heeft de decoratie weliswaar niet exact gekopieerd, maar het is duidelijk dat hij zich heeft gebaseerd op oudere voorbeelden, zij het niet alleen in de grafiek: centraal in de schaal is een bijbelse scène weergegeven die onmiskenbaar teruggaat op een rond paneeltje dat is beschilderd door Dirck van Deelen.

Verschillende prenten in de tentoonstelling zijn kopieën naar bestaande, soms beroemde kunstwerken. Zo zijn er voorstellingen die onderdelen in beeld brengen van de decoratie van het Amsterdamse stadhuis. Deze prenten, met onder meer voorstellingen van reliëfs van de beeldhouwer Artus Quellinus, maken deel uit van een publicatie die pas na de voltooiing van het stadhuis werd uitgegeven. Door zulke prenten kregen de inventies van beroemde kunstenaars snel, relatief goedkoop en in brede kring bekendheid. Zelf konden ze daardoor weer als voorbeeld dienen voor anderen.

De tentoonstelling en de bijbehorende kleine publicatie maken het onderscheid in functie en gebruik van de verschillende getoonde prenten weinig expliciet. De presentatie beperkt zich tot een inhoudelijk weinig diepgaande, maar visueel aantrekkelijke selectie van grafiek uit de collectie van het Rijksmuseum, die op een of andere wijze iets van zeventiende-eeuwse ornament laat zien. De nadruk op de vergelijking tussen ornamentenprenten en andere kunstvormen, is daarbij misschien niet steeds even noodzakelijk. Sommige werken lijken te duiden op belangstelling voor ornamentenprenten zonder duidelijk praktisch nut.

Een voorbeeld daarvan is een mooie, minutieus uitgevoerde prent van Balthasar Lemersier uit 1626, waarin een edelsmidboeket zweeft boven een lieflijk heuvellandschap met wandelaars en een ruiter. Meer dan als voorbeeld of hulpmiddel in het artistieke scheppingsproces, lijkt het ornament hier vooral te zijn weergegeven als hoofdthema van een autonome voorstelling.